Hoofdstuk 1 van het boek "Poeldijk door de eeuwen heen"

Hieronder treft u een aantal snelzoekers naar de onderwerpen van hoofdstuk 1:
Het allereerste begin.  Dijken als rugdekking tegen het water.  De eerste bewoning.
 
Fragment van het gevonden militaire diploma. Poeldijkse grondbezitters en gebruikers in de 14e eeuw. 

Het allereerste begin.

Na de ijstijden (80.000 jaar geleden) werd de temperatuur in Europa hoger en smolt het ijs  De zeespiegel rees rond de twintig meter, waardoor de Noordzee is ontstaan. Het land werd een toendralandschap met grasachtige steppen zonder bomen. Ons gebied werd ongeveer tienduizend jaar voor Christus bewoond door enkele rendierjagers. Zij leidden een nomadisch bestaan en trokken met de rendieren mee, ‘s winters zuidwaarts en in het voorjaar weer naar het noorden.

In de midden-steentijd (5000 voor Christus) werd het klimaat beter en op de toendra ontstonden berken-, dennen- en loofboombossen. Onze kustlijn werd gevormd met eerst de strandwallen en later de duinen. De bewoners bleven langer op één plek wonen. In de bossen verschenen wilde zwijnen, herten en langharige runderen. Vissen en jagen werd de nieuwe bron van bestaan. Later schakelden zij over op landbouw en veeteelt. Er vormden zich woongemeenschappen van enkele families. Het loonde namelijk om een vast huis te bouwen. Later kwamen daar hutten bij voor vee en opslag van voedsel. Wilde dieren werden getemd en tot fokvee of rijdier gevormd.

Zo ontstond het volk der Cananefaten. Toch woonden zij niet lang op dezelfde plek. Zij verhuisden soms na vijf jaar al weer naar een andere woonheuvel of zandwal.

Er waren veel overstromingen. Soms werd de waterafvoer van de rivieren geblokkeerd door zandbanken en duinen. Het (zoet) waterpeil steeg daardoor soms meters. Na een duindoorbraak zakte dat peil weer snel. Ons gebied was een poelen- en moerasgebied. Volgens de Romeinse schrijver Plinius behoorden de mensen hier tot de armzaligsten van de wereld. Tweemaal per dag werd hun gebied door de zee overstroomd zodat men niet goed wist of dat gebied nu tot het land of tot het water gerekend moest worden.

Er werden langs de kreken en rivieren steeds nieuwe eilanden en zandruggen gevormd waarop de mensen (kort) woonden. Bij grote overstromingen moest men het gebied zelfs geheel verlaten.

Rond  200 jaar voor Christus is de Noordzee ter hoogte van Monster door de oever van de Maas heen gebroken. Er ontstond toen een zijtak van de Maas ‘De Gantel’. Hierbij is bijna het gehele Westland onder water komen te staan. Naaldwijk en Monster werden niet door het water bedreigd. Deze plaatsen lagen respectievelijk op een haakwal en een strandwal. Bij vloed kwam het water diep het land binnen en ontstonden verschillende vloedkreken. Vloedkreken zijn natuurlijke waterlopen die overblijven na een overstroming.

Gedurende de Romeinse tijd en daarna, slibden de vloedkreken dicht. Bij latere overstromingen ten gevolge van stormvloeden in het midden van de 12e eeuw, omstreeks 1134, is de haakwal tussen Monster en Naaldwijk doorgebroken. Er ontstond een nieuwe monding voor de Gantel en de Booma. Daardoor kon de zee weer ver het land binnendringen. Een gedeelte van het Westland is toen opnieuw onder water komen te staan. Er zette zich een dikke kleilaag (‘t Westlanddek) boven op de Romeinse grondlaag af. Het typerende van het ‘Westlanddek’ is, een kleilaag over veen, dat door fijn stuifzand werd overstoven, waardoor een bijzondere bodemstructuur ontstond, namelijk zavelgrond.

Dijken als rugdekking tegen het water.

Algemeen wordt aangenomen dat omstreeks 1150 het gebied weer bewoonbaar werd. Vanuit Poeldijk gezien werd in die jaren een lengtebedijking aangelegd langs het noordelijk stroomgebied van de Gantel, de Noord-Ganteldijk genoemd. Deze bedijking lag ongeveer onder het huidige tracé van de provinciale weg die van Monster via Poeldijk, naar Wateringen loopt. Aan de zuidelijke kant van de Gantel is een lengtebedijking aangelegd vanuit Naaldwijk. Via de Bospolder liep deze dijk langs Honselersdijk, de Mariëndijk en Kwintsheul naar Wateringen, de Zuid-Ganteldijk geheten. Het is niet moeilijk zich voor te stellen dat bij stormweer het water in de Gantel als een woeste zee te keer ging, waardoor dijken zijn doorgebroken. Onder de Schoolstraat in Poeldijk ligt het oorspronkelijke dijktraject. Dijkversterking is na een dijkdoorbraak op de plaats van de huidige Voorstraat aangebracht. Deze dijkversterking liet een slinger in het traject achter die zich nu nog duidelijk manifesteert in de Voorstraat.

Een andere dijkdoorbraak heeft plaats gevonden op de scheiding Poeldijkseweg/Monsterseweg bij het Waelland. De naam Waelland zegt het al. Er ontstond dan een wiel of wael in het land door de uitschurende werking van het water. Voor het overtollige water in deze Madepolder werd de Mussenwatering gegraven, waar nu het Steenheultje ligt, om het overtollige water in de Gantel te lozen. Bij de aanleg van de bredere provinciale weg in 1924 werden bij de bouw van de nieuwe brug resten van een oude sluis gevonden.

Om het gebied tegen de hoge stormvloeden van de zee te beschermen lieten de graven van Holland een dam/dijk aanleggen die de waterlopen van de Booma en Gantel afsloten. Deze dijk liep vanaf het duin bij Monster dwars door de Gantel, tot aan het hogere gebied bij Naaldwijk. De dijk heette aanvankelijk ’s-Gravendijk maar werd later aangeduid als Swarten Dijck. Door de aanleg van deze Zwartendijk werd de Gantel-arm afgesloten en ontstond er een Poel. Een Poel die door de toen noch gebrekkige afwatering langzaam droogviel.Wel werd er in de genoemde dijk een heul of sluis gemaakt. Daardoor kon men het overtollige water in- en uitlaten. Door ontpoldering (ontwatering) werd dat later de Oost-Poelpolder. Deze lag in de bedding van de Gantel en werd omsloten door de diepere geulen, de Grote en Kleine Gantel. Door de bedijking en ontpoldering kregen de graven van Holland, en niet te vergeten de kloosters, een derde, van het polderland in het bezit. Adellijke families in die dagen waren: Van Teilingen,  Van Duivenvoorde, Raaphorst en Wassenaar (Groeneveld en Polanen).

In de twaalfde eeuw, na de aanleg van de dijken, werden er boerderijen op de hooggelegen stukken land langs de dijken gebouwd. Het laag gelegen land werd grotendeels beheerst door het water. De graaf van Holland wilde een betere waterbeheersing in zijn graafschap waaronder ook het Westland ressorteerde. Hij liet zich in diverse delen van het graafschap vertegenwoordigen door een baljuw. Een baljuw was een door de graaf van Holland benoemde bestuursambtenaar die belast was met de lagere rechtspraak. ( Hij had geen halsrecht dat was voorbehouden aan de graven) Deze baljuw trad op als waarnemer van de graaf in het bestuur en de rechtszaken waarin ook de waterstaataangelegenheden waren begrepen. Het baljuwschap was verdeeld in ambachten. Dit waren lokale rechtskringen die werden bestuurd door schout en schepenen. Voor zaken betreffende onder meer de lokale waterhuishouding werden de schouten bijgestaan door heemraden en schepenen, afkomstig uit de grondbezittende ingezetenen.

Vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw werden door de graaf waterstaatstaken gedelegeerd aan speciaal daartoe benoemde organen, de heemraadschappen.

Een afschrift van het besluit in 1289 door Floris V spreekt van de schouw en keurbevoegdheid van de hoofdwaterkeringen, landscheidingen en hoofdwatergangen. Deze bevoegdheden ontvingen de heemraden om hun toezichthoudende taak namens de graaf te kunnen uitoefenen. Vanaf die tijd werd het afwateringssysteem van het gebied door het Hoogheemraadschap Delfland beheerd.

Onder leiding van het Hoogheemraadschap Delfland kwam een proces op gang om het water ook binnen de dijken te gaan beheersen. Het waren vooral de cisterciënzer monniken die zich bezig hielden met onder meer de ontsluiting van de Maepolder, de Poelpolder en de Dijkpolder onder leiding van het Convent thoe Losdûn, die daardoor veel macht verwierf in deze polders. Vanaf de vijftiende eeuw werden watermolens gebouwd, die door de wind werden aangedreven. Zij vijzelden het water van lager gelegen watergangen op naar de boezemsloten.

Belangrijk voor Poeldijk was het ontwateren van het gebied de Dijkpolder ten westen van de Gantel. Het ontwateringkanaal hier was de ‘Wendekins’ ofwel Wennetjessloot. Op de tekening van Cruquius staat een molen ingetekend aan de Wennetjessloot ter hoogte van de Lange Sloot de ‘Dijk Molen’, waar tegenwoordig nog het watergemaal staat.

De eerste bewoning.

Het is en blijft altijd moeilijk om het tijdstip van het ontstaan van een plaats vast te stellen. Dat geldt ook voor de plaats Poeldijk. Om het tijdstip van eerste bewoning van het grondgebied Poeldijk vast te stellen, moeten we terug naar de archeologische opgravingen nabij de Verburchlaan(1). In november 1999 en februari 2000 zijn op de plaats waar huizen zouden worden gebouwd, (proef-) opgravingen gedaan. Daarbij zijn donker gekleurde aardlagen gevonden. Archeologen concludeerden dat het een zogenaamd loopvlak uit de ijzertijd moet zijn geweest. Aan de hand van enkele gevonden bot- en houtresten zouden hier ook mensen gewoond moeten hebben. Aan de noordzijde, in de bocht Verburchlaan- Arckelweg, zijn ook verkleuringen in de grond gevonden. Omdat dit donkere plekken waren met een tussenafstand van 1,5 meter, stellen de archeologen dat het plattegronden zijn van gebouwen. Die bestonden namelijk uit rechtopstaande palen met gevlochten riet ertussen. Alles wijst in ieder geval op een woonplek met meerdere huizen en schuren. Ook is er een graf gevonden uit de Romeinse tijd. Dit is géén graf zoals wij nu kennen. Het is een cirkelgegraven greppel; de opgeworpen aarde vormde een lage heuvel met in het midden een aardewerk pot. Hierin bevonden zich de asresten van een gecremeerd persoon.

Al vlug na het begin van onze jaartelling ( ± tien jaar na Christus) werd ons gebied beïnvloed en overheerst door de Romeinen. De Romeinen bleven in het gebied tot de ineenstorting van het Romeinse rijk (± vierhonderd na Christus).
In Poeldijk werd in 1973 aan de Wateringseweg, op de tuin van A. van der Voort
(2), bij drainagewerk in een warenhuis, een opmerkelijke vondst gedaan die uniek was voor Nederland (3). Uit de opgravingen is gebleken dat men hier te maken had met een Romeins fort.

De Romeinse fundering zoals werd aangetroffen op de tuin van A van der Voort aan de Wateringseweg in Poeldijk
De Romeinse fundering zoals werd aangetroffen op de tuin van A van der Voort aan de Wateringseweg in Poeldijk.

Op ongeveer een meter diepte is een zware turfstenen fundering aangetroffen van een ongeveer vijftien meter lang en acht meter breed gebouw, dat dateert uit de Romeinse tijd. Bij deze opgravingen is gebleken hoe knap de bouwers van de nederzetting destijds al waren. 

Het toenmalige gebouw werd verwarmd met een hypocaustum, een vloer- en wandverwarming die in de Romeinse architectuur voor badhuizen en voorname particuliere woningen werd toegepast.

Naast dit gebouw werden drie fragmenten van een bronzen militair diploma gevonden. Dergelijke diploma’s werden uitgereikt aan inheemse soldaten die 25 jaar trouwe dienst in het Romeinse leger hadden vervuld en vervolgens met eervol pensioen werden gestuurd. Dit diploma is uitgereikt aan een veteraan wiens naam onbekend is gebleven, maar van wie de vader Amandus heette en een Cananefaat was. Deze had gediend bij de Ala I Noricorum, een ruiterijeenheid die haar standplaats in het Duitse Dormagen had. Uit de lijst van consuls, die als getuigen op het diploma vermeld staan, kan worden afgeleid dat het diploma met zekerheid tussen 7 februari 160 en 5 mei 167 werd uitgereikt. Een replica van dit diploma is te bewonderen in het Westlands Museum voor Streek- en Tuinbouwhistorie in Honselersdijk. Het origineel is geschonken aan het Historisch Museum te Leiden. Na de Romeinse tijd was het gebied lange tijd onbewoond.

Fragment van het gevonden militaire diploma.

Fragment van het gevonden militaire diploma.
Fragment van het gevonden militaire diploma.

Voor het ontstaan van de naam Poeldijk gaan we terug naar de tweede helft van de twaalfde eeuw. De naam zal waarschijnlijk afkomstig zijn van de Poelpolder (het stroomgebied van de Gantel) en Dijckpolder. 

Waar zich nu het centrum van Poeldijk bevindt, lag de dijk het dichtst bij de Gantel. Begrijpelijk is dat veel materiaal voor de aanleg van de dijk daar werd aangevoerd. Mogelijk zijn er toen enige huizen en/of boerderijen gebouwd waarvan de bewoners aan de bedijking hebben gewerkt. Een gehucht waaruit Poeldijk groeide.

Toen de dijk van Monster tot Wateringen was aangelegd, bestond het gebied dat later uitgroeide tot het dorp Poeldijk, uit vijf vakken (4). Aan de zuidkant van de Monsterseweg, de Gantelkant, lag een grote Poel die de ‘Oost Poel’ werd genoemd. Aan de noordelijke kant lag de ‘Tiend’. De zuidkant van de Wateringseweg, ook de Gantelkant, werd ‘De Vogelaer’ genoemd. De noordkant ervan, de tegenwoordige Dijkpolder, bestond uit twee blokken, namelijk het Dirk Dirksen blok en het Dirk Gillenen blok.

In 1493 had ‘het ambacht van Monster’(5) waartoe ook Ter Heijde, Poeldijk, half Kwintsheul en half Loosduinen behoorden, in totaal 200 vuurplaatsen of haardsteden. Zo noemde men in die tijd een woning. Het is moeilijk voor te stellen hoe klein het dorpje Poeldijk toen was, veertig woningen? Wie zal het zeggen. Volgens de verpondingslijst van 1632, honderdtweeëndertig jaar later, telde het ambacht van Monster 336 woningen. (6) Naar schatting bedroeg het aantal woningen alleen voor Poeldijk zo’n 85. Weer honderd jaar later, in 1732, waren er minder huizen in het ambacht van Monster, namelijk 321. Hiervan zullen ongeveer 80 woningen in Poeldijk hebben gestaan. En in 1889 zijn er volgens de huizen- en volkstelling van dat jaar alleen in Poeldijk 253 huizen met 1029 inwoners. In het jaar 2000 is Poeldijk uitgegroeid van een gehucht naar een waar dorp met  2237 woningen en  schommelt het aantal inwoners rond de 5800.

Poeldijkse grondbezitters en gebruikers in de 14e eeuw.

Het namenregister uit de 14e eeuw: (7) ‘De Metinge van ‘t Ambacht van Monster gedaan in den jaere 1378’ is van onschatbare waarde voor de geschiedenis van Poeldijk. Een onbekend landmeter heeft het ambacht van dat jaar opgemeten en ingedeeld in 12 genummerde kwartieren; de grenzen hiervan volgen grotendeels de kreken en oude dijken. Dankzij deze indeling is een overzicht van Poeldijk duidelijk te traceren: nl. het vierde, vijfde en het achtste kwartier, begrensd door de Wennekenssloot, de Hoelrewateringe, de Gantel en de Booma.

Dit en de vermelding in het register van de namen van eigenaren en/of de gebruiker van de diverse percelen grond en de daarop staande boerenbehuizingen, maken het mogelijk een redelijk inzicht te krijgen in de eigendomsverhoudingen en de grootte der bedrijven van Poeldijk in de 14e eeuw.

Duidelijk zichtbaar is dat na de droogmaking van het Poeldijkse land, in de veertiende eeuw, veel land in de ‘dode hand’ terecht is gekomen. De Graven van Holland schonken, voor hulp aan de bedijking, 1/3 deel van ‘De Poel’ aan kloosters zoals Leeuwenhorst/Ter Lee, Rijnsburg en Uithof van Loosduinen (Dijkpolder). Ook de Regulieren van ’s-Gravenzande (Norbertijnen) en de Sint Jans Heren van Haarlem waren van de partij. 
De kloosters Leeuwenhorst en Loosduinen behoorden tot de Cisterciënzerorde. Grootgrondbezit was voor de kloosters een belangrijke bron van inkomsten. 

Een ander deel van het Poeldijkse land kwam in handen van eigenaren die bij de regeringsactiviteiten waren betrokken: zoals de graven van Holland, Willem II van Naaldwijk, Phillips van Polanen en zijn verwant Jan van Groeneveld, beiden van Wassenaar, Jan van Arckel, Dirc van Raephorst en Graaf Albrecht.

Overzichtkaartje van de Metinge van ‘t ambacht van Monster in 12 kwartieren, anno 1378.
Overzichtkaartje van de Metinge van ‘t ambacht van Monster in 12 kwartieren, anno 1378.
 

In de Metinge, hierboven genoemd, komt men de naam Ghijsen wijf tegen. Deze naam heeft later te maken met de familie Casembroot, een naam die pas enkele eeuwen later aan de Vredebestlaan in Poeldijk opdook. Witte Claes ( van Oudenburg) had grond in leen van de Graaf van Holland en verpachtte deze weer aan ‘vrije boeren’, ook wel ‘Buren’ genoemd. Deze Witte Claes komt later door uithuwelijken terecht in de familie van Naaldwijk en Raaphorst. Hoeveel namen van nu zullen er niet schuilgaan achter een simpele naam van toen?

Jan Aeret Nagelsz. wordt in de Metinge genoemd als gebruiker van vijf percelen land in het vierde kwartier. Het land lag ‘oostwaert gemeten tussen die Gantel en den Poeldijcxen wech en weswaert tot Poeldijcker capelle toe’, zo staat in de metinge geschreven. Interessant is dat Joannes Nagel al wordt genoemd in een grafelijke oorkonde van 1198(8) als een belangrijk leenheer van de Graven van Holland. Dirk VII -de eigenaar van het Poeldijkse land door Nagel geleend- schonk in deze authentieke oorkonde het collatierecht van het land voor de bouw en de bediening van een capelle op ‘t land van Joannes Nagel. Op de plaats waar ‘De Poel’ en de ‘Dyck Polder’ aan elkaar gekoppeld waren. Tevens was het tiendrecht bestemd voor de bediening van -een altaar-, ter nagedachtenis aan zijn vader, Floris III, in het noordelijke deel van de kapittelkerk St Marie te Utrecht.

Gezichtsbepalend voor het Poeldijkse land waren rond 1378 de vijf kasteelachtige woningen omringd met veel boerenland: oa.

1- Dirck Boudijnswoning: Aan de oude Molensloot, de tegenwoordige Nieuwe Vaart, aan de tegenwoordige Vredebestlaan. Waar anno 2000 vier woningen staan van de vroegere gebroeders van Paassen, stond de kasteelachtige boerenhoeve van ‘Dirck Boudijn’.  Deze woning was geheel door water omgeven en met een ophaalbrug afgesloten. Hij is rond 1600 afgebroken voor de verbreding van de Oude Molensloot. Deze werd toen ‘Nieuwe Vaart’ genoemd en de aanlegde weg, de tegenwoordige Nieuweweg.

2-Willem Baertoutswoning: Recht tegenover Dirck Boudijnhoeve, aan de overkant van de weg, stond de Willem Baertoutswoning ook een versterkte hoeve geheel omgeven door een watergracht. Vanuit deze boerenhoeve liep een laan dwars door de Dijkpolder tot aan de boerderij Uithof van der Lee. De Baertoutswoning werd de latere woning van boer van der Hark.

3- Poelenburch: Op nog geen tweehonderd meter afstand van de Baertoutswoning, verder de Dijkpolder in, moet nog zo’n kasteelachtig huis door water omgeven gestaan hebben. Dit moet de Poelenburchhoeve geweest zijn. Deze stond waarschijnlijk op de plaats waar de twee gezinnen van Van Dijk woonden en tuinden, aan de tegenwoordige Dijkpolderlaan. Van deze laatste hoeve staat niets in de metinge van 1378. Mocht het zover komen dat ook dit gebied moet wijken voor, eventuele huizenbouw, dan is het raadzaam te zoeken naar, zo mogelijk, historische resten van de vroegere Poelenburch.

4- Gantellust: Deze kasteelachtige boerenhoeve was met gracht en toren gelegen langs het riviertje de Gantel in het bezit van Claes Nachtegaal.

5-. Hofstad Arckelsteijn: De edelman Jan van Arckel heeft deze boerenhoeve laten bouwen en zelf bewoond. Deze verdedigbare woning stond ten noorden van de tegenwoordige Wateringseweg.

Vele landerijen met bijbehorende hoeven en opstallen hadden rond 1378 doorgaans geen vaste bewoners. De vrije boeren (vronen, heren of buren) pachtten vaak het land van klooster of leenheer. De hoeven heetten daarom ook Vroon-of Herenhoeven, die vergelijkbaar waren met hofsteden. Veelal een vierkant stenen donjon, (huis met torenvestiging) met verschillende houten bijgebouwen, soms met een gracht. De gronden die uit deze hoeven bewerkt konden worden, noemde men ‘Het Vroonland’. De boeren leefden in vroegere tijden als koningen op hun erf. De arbeiders en de dienstmeiden woonden gedeeltelijk op de boerderij zelf en hadden een kamertje op de hooizolder. Anderen woonden in één van de arbeidershuisjes in de volksbuurten van Poeldijk. Hier leefden de dagloners dan op gepaste afstand van hun broodheren.

De overige gronden werden verpacht aan de niet-vrije boeren die schatplichtig waren. Zij moesten diensten verrichten op de vroonhoeve en werden doorgaans snel, na hun bewezen diensten uit hun boerderijtjes gezet.  Hun boerderijen heetten ‘Cijnshoeven’ (cijns belasting) en dienden om het gezin van de boer te onderhouden. Ze kwamen merendeels uit armere provincies, zoals Brabant. Wat te denken van de Poeldijkse naam ‘Brabander, den Braber e.d..

De boeren verbouwden destijds niet veel andere producten dan tegenwoordig, alleen met dit verschil dat het werk met de hand gebeurde. Zij verbouwden haver, tarwe, mosterdzaad, rogge, gerst en hennep. Van deze laatste werden de vezels gebruikt voor de touwindustrie en de scheepsbouw. Het hennepzaad werd verwerkt tot medicijnen. Van mosterdzaad werden plantaardige vetten gemaakt. Gerst werd verbouwd om er bier van te brouwen. Voor de veeboer bestond het land uit wei-en hooiland. De koe was, zoals ook nu nog het meest vertegenwoordigd, als leverancier van melk, waarvan men in eigen bedrijf room, boter en kaas produceerde. De os werd als trekdier voor de ploeg gebruikt. Het paard diende, met en zonder wagen, voor transport. De varkenshoeder liep met zijn varkens tot in de dertiende eeuw vrij in de bossen. Later werden de varkens op de boerderij gemest en gebruikt voor eigen consumptie. De schapenfokkerij was vanaf de veertiende eeuw van grote betekenis. Veel kloosters waren befaamd vanwege hun schapenteelt en de wolproductie.


(1) Archeologischonderzoek 2000 Jan Beerenpoot directeur dienst Openbare werken gemeente Monster. Monsterse courant 20-04-2000

(2) waar in het jaar 2001 de familie Jac. van Leeuwen een bloemenbedrijf heeft

(3) Archeologisch onderzoek 1970  van Adrichem

(4) Hoogheemraadschap Delfland
(5) Monster, Poeldijk, en Ter Heyde en half-Loosduinen vormen één hoge heerlijkheid en behorden bijgevolg onder één Hoge Vierschaar, rechtbank..Holland in vroeger tijd. Bewerkt door C. Postma blz. 499

(6) Holland in vroeger tijd. Bewerkt door C. Postma blz. 499

(7) Geschreven ende getranslateert vuyt dat oude ende rechte originael bouck, dat men vinden sal onder die abdisse van Loosduynen int jaer 1523, bij mij Jan Jansz Storm, priester ende capellaen in de Pueldijck. Overdruk uit Jaarboek Centraal Bureau voor Genalogie 1969 door Jan van Emmens. Transcriptie P. Bos

(8) Rijksarchief Utrecht kapittel St. Marie inventaris no. 1947. Kruisheer  248,  nr, 22

Dit prachtige boek is helaas uitverkocht.