
Streekhistorie is iets wat ons nogal trekt, vandaar dat we in de loop der jaren veel informatie hebben verzameld en probeer ik er nu passende foto's bij te maken, hieronder een aantal Streekhistorische en andere verhalen welke voornamelijk gehaald zijn uit de Westlandse Courant.
de tijd en temperatuur in Het Westland is nu:
![]()

Hier Het Westland op een kaart uit 1793
![]()
![]()
Westlandse eieren niet meer in het ‘buitenland’ geveild.
Vijftig jaar geleden kende het Westland nog veel kippenhouders. Je vond ze in elke gemeente. Ze zetten hun eieren af via de veiling Veur in Leidschdam of in Delft. Maar per 3 november 1953 veranderde dat. Het Westland kreeg een eigen eierveiling.
Uit: Westalndsche Courant 01-11-2003
Door: Aad van Holstein
Striptekenaar Otto Milo van dagblad Het Binnenhof zorgde in 1953
Het Westland staat vrijwel hele twintigste eeuw bekend als hét land van de veilingen. Geen wonder dat de kippenhouders in 1953 het maar raar vinden om voor de wekelijkse afzet van hun product,het ei, helemaal 'naar het buitenland' te moeten. D. Zwartveld is de man die voor de kippenfarms uit 's-Gravenzande, Maasdijk en Naaldwijk in de jaren vijftig elke week voor het transport van de eieren naar Veur en Delft zorgt. Dat is prima, maar het zijn toch altijd nog behoorlijke afstanden voor het vervoer van zo'n teer product als eieren. Enkele kippenhouders uit 's-Gravenzande komen op de proppen met het idee wekelijks een eigen eierveiling in het Westland te houden. Dat valt in goede aarde en in overleg met enkele nauw bij de eierhandel betrokken personen, zoals A. Zwartveld uit Naaldwijk, C. Noordam en G. Sonneveld uit 's-Gravenzande, worden in de zomer van 1953 plannen beraamd een. Eigen centrale Westlandse eierveiling te stichten. Om na te gaan of die wel levensvatbaarheid heeft, worden alle houders van kippen in het Westland opgeroepen om op maandagavond 12 oktober 1953 naar café Centraal aan de Molenstraat in Naaldwijk te komen. De initiatiefnemers boeken de avond nog bij de heer C. A. Jansen die al
vanaf 14 december 1946 de zaken van dat café-restaurant, dat eigendom is van Van Delden, runt. Hij vertelt hen dat dit wel een, van de laatste vergaderingen is die hij mag boeken. Want deze in Naaldwijk zeer geziene man, bij wie men altijd terecht kan voor het huren van het in Naaldwijk overbekende 'zaaltje' in de Emmastraat, waar nu een supermarkt is gevestigd, deelt hen mee dat hij in december de zaak gaat verlaten.In goede aarde
Hij ziet de kippenhouders dus voor het eerst, maar tevens voor het laatst op
die maandagavond bijeenkomen, al is hun opkomst niet bepaald overweldigend. Zo
is Monster niet sterk vertegenwoordigd. Maar als Arie Zwartveld -namens het
voorlopig voor de oprichting in het leven geroepen comité- de mededeling doet,
dat men plannen heeft om de veiling van eieren in eigen hand te nemen, valt dit
bij de aanwezigen in het algemeen toch in goede aarde. Er worden wel enkele
kritische vragen gesteld, maar daar komen duidelijke antwoorden op. Onder meer
dat D. Zwartveld zal worden aangesteld als degen die de eieren bij de
kippenhouders blijft ophalen. Ook wordt meegedeeld, dat het in de bedoeling ligt
volledig onder de verantwoordelijkheid van het bestuur een sorteerder aan te
stellen inde persoon van de heer A. Noordam; Uiteraard komt er ook een
sorteermachine, waarmee gesorteerd kan worden in 0, 1, 2, 3, 4, 5 en 6.
Belangrijk is de vraag of de eieren per stuk of per kilo worden geveild. Over
het algemeen is men voor het veilen per stuk, hoewel sommige leden menen dat dit
veel administratie tot gevolg zal hebben. Besloten wordt zowel per stuk als per
kilogram te veilen. Na enig rekenen wordt vastgesteld dat de aanwezigen er
garant voor staan, dat uit het Westland gezamenlijk per week ten minste 20.000
eieren voor de klok komen. Maar omdat niet alle kippenhouders aanwezig zijn,
wordt dit aantal staande de vergadering gecorrigeerd naar zelfs 35.000 eieren.
Besloten wordt dat het comité met het bestuur van de groenteveiling Naaldwijk
gaat onderhandelen, om elke donderdagmiddag het kooplokaal van deze veiling te
huren voor het houden van de wekelijkse veiling. De eieren moeten dan wel op
tijd bij de sorteerder zijn. De voorlopig voor het stichten van de veiling
aangewezen commissie gaat voortvarend te werk: Binnen veertien dagen is alles
rond.
Nauwgezet
Als de kippenhouders op maandag 26 november weer bijeenkomen, krijgen ze te
maken met een goed op poten gezette organisatie. "Het veilingbestuur van
Naaldwijk heeft alle medewerking toegezegd om de eierveiling groot te maken",
zegt voorzitter Zwartveld trots. Het afmijntoestel mag worden gebruikt en wordt
bediend door deskundig personeel van de veiling. Vooral is men erover verheugd,
dat de nauwgezette betaalmeester van de groenteveiling Steenks de administratie
wil gaan voeren. Een taak die zeker geen zacht eitje genoemd mag worden, grapt
de voorzitter daarover. De eierveiling wordt een vereniging naar het voorbeeld
van de grote coöperatieve veiling. Besloten wordt een inleggeld te vragen van
vijf gulden per lid, welk bedrag tijdens de vergadering door de meesten al wordt
betaald. Over elk te veilen bedrag wordt voortaan één procent ingehouden tot men
een aandeel heeft voor een bedrag van honderd gulden. Dat aandeel wordt
terugbetaald bij uittreding uit de vereniging. Het veilingpercentage van vier
procent komt daar dan nog bovenop met mogelijkheden van restitutie bij het einde
van het boekjaar.. Naast de voorzitter maken C. Noordam (secretaris) uit
's-Gravenzande, B van Dam (penningmeester) uit Wateringen, De Bruin uit
Maasland, Van Vliet uit De Lier en Sonneveld uit 's-Gravenzande deel uit van het
bestuur van de nieuwe vereniging, die zeventig leden telt De eerste veiling
wordt vastgesteld op 3 november.
Belangstelling
Honderden belangstellenden zijn! er die dinsdagmiddag om drie uur in de
Naaldwijkse groenteveiling aan de 's-Gravenzandseweg getuige van, dat de eerste
veiling wordt gehouden. De voorzitter van de groenteveiling L. van der Hoeven is
er ook bij en onthult in een toespraak, dat Naaldwijk al eerder een eierveiling
heeft gekend, maar die ging ter ziele. Hij is er verheugd over dat er weer een
is. Er worden die middag niet minder dan 21.360 eieren geveild. Er zijn er een
paar gekneusd, maar er blijken in het Westland geen windeieren te zijn gelegd.
De klok heeft nog lange tijd voor de eieren gedraaid. Jan de Bruin (64) uit
's-Gravenzande was een van de particulieren die al als zeventienjarige jongen
eieren van zijn eigen kippen ter veiling bracht: "Leuk dat dit nu in de krant
komt, niemand denkt meer aan die eierveiling."
![]()
Steeds meer koelhuizen gebouwd in de jaren vijftig.
Uit: Westlandsche Courant 08-11-2003
Door: Aad van Holstein
Koelhuis in de jaren vijftig in aanbouw bij de veiling Westerlee.
Overal in het Westland worden er in 1953 koelhuizen gebouwd. Nodig om de grote druivenoogst op te kunnen vangen en een betere spreiding in de aanvoer te verkrijgen. Aan de andere kant geeft dit in de wintermaanden veel activiteit en werk, een belangrijk sociaal aspect.
In de jaren vijftig neemt in het Westland het koelen van druiven sterk toe.
De druif beheerst dan nog steeds de Westlandse fruitmarkt, maar de opbrengsten
vallen tegen. Vooral bij de blauwe druiven in de maanden augustus en september.
Stookdruiven leveren per kilogram slechts één gulden op. Geen vetpot.
Koeldruiven gaan in oktober al voor een kwartje meer voor de klok, later in het
seizoen voor nog meer.
Koel bewaren en later veilen is dus hét parool.
De belangstelling bij de druivenkwekers om voor eigen rekening te koelen is in
het najaar van' 1953 erg groot. De beschikbare ruimte moet onder de gegadigden
worden verdeeld. Door dit 'zelf koelen' is de keus voor de handel wel beperkter
geworden. Het Westland produceert in dat jaar naast de druiven ook nog heel wat
ander fruit, maar er tekent zich al een neergaande lijn af.
Zo worden er aan de veilingen in de loop van de zomer wel perziken aangevoerd, maar iedereen ziet dat het met die teelt toch praktisch gedaan is. In juli gaat het nog even, maar daarna is het een tamme vertoning. Met de meloenen gaat het ook al niet zo best. Soms worden ze zelfs gebruikt als projectielen bij watergevechten. Hard fruit; zoals appelen en peren, komt aan de veilingen nog met grote hoeveelheden aan. Steeds meer tuinders gaan op deze teelten over. Dat de kwaliteit uitstekend is, blijkt op de fruitkeuringen, die jaarlijks in Naaldwijk door de NFO worden gehouden. Ook in Maasland en Westerlee zie je steeds meer fruit. verhandeld tegen aantrekkelijke prijzen.
Systemen
Dat telen geschiedt steeds meer met gebruik van intensieve systemen. Waar nu
bijvoorbeeld de computer in de glastuinbouw een grote rol speelt, is het in 1953
het zogenaamde cordon- en tafelsysteem dat wordt toegepast. Daarmee kan 40.000
kilogram goed fruit per hectare worden geoogst. Maar omdat nu zomaar aan
Iedereen aan tel bevelen gebeurt nu ook weer niet. Het is echt iets voor alleen
de allround vakman. Perziken en meloenen zie je na 1 oktober niet meer aan de
veilingen en na Allerheiligen is het ook vrijwel gedaan met de aanvoeren van
druiven. De marktonderzoekers en telers in het Westland volgen dat met
argusogen. Als de pruimen en massa's goedkope peren geruimd zijn en de goede
appelen en peren goed in de markt liggen, hopen ze dat de animo voor een niet te
dure druif groter zal zijn dan in 1952. "Als de hardfruit afzet kou vat, dan
krijgt de druivenprijs een longontsteking", hebben we een veilingman wel eens
horen beweren. Met het koelen wordt voorkomen dat enorme topaanvoeren bij de
twaalf Westlandse veilingen ontstaan, zoals voor de oorlog regelmatig is
voorgekomen. In een week meer dan twintig procent van de totale productie!
In en om het Westland zijn in 1953 heel wat koelhuizen van exporteurs van naam gevestigd. Vol peren, appelen en andere tuinbouwproducten. Het bouwen van koelhuizen trekt ook fruit alleen wordt opgeslagen, maar ook verwerkt, verpakt en verstuurd. De exporteur klaart zo dit zaakje met eigen personeel in zijn eigen veilingloods.
Proeven
Zo wordt wat het koelen van druiven steeds meer gemeengoed in het Westland.
Zelfs worden proeven genomen met het bewaren van druiven van mindere kwaliteit,
een chemisch kunstje dat aanvankelijk bij enkelen bekend is en schimmelvorming
voorkomt. Alles met het doel om een aantrekkelijk druif laat in het seizoen
tegen een hoge prijs te verkopen. Maar de consument mag er niet onder lijden, zo
wordt van sommige kanten gewaarschuwd. Een van de plaatsen waarde druiven worden
opgeslagen, is het veilingkoelhuis te Poeldijk. Als ze op dat moment verhandeld
worden is de prijs tussen de 1,10 en 1,25 gulden. De tuinders gokken echter op
een redelijke prijs na Nieuwjaar. Om het de tuinders aantrekkelijk te maken om
te koelen, wordt afgesproken dat als het allemaal goed uitpakt, ze nog een
toeslag krijgen. Toch hebben deskundigen de indruk, dat er veel meer druiven ter
koeling zouden kunnen worden aangeboden dan op dat moment het geval is. De
gemiddelde kwaliteit v:in de druiven wordt goed genoemd.
Optimistisch
Er zijn tuinders, die het aandurven de druiven tot na 1 november in de
kassen te laten hangen. Soms beleven ze dan nog een belangrijke prijsstijging.
Men is in tuinders kringen nogal optimistisch gestemd over de toekomst van deze
teelt, want in 1953 denkt men daar nog dat de druiventeelt over zijn dieptepunt
heen is. "De productie kan en zal de eerstvolgende jaren toenemen", zo luidt de
verwachting. Tellingen wijzen in elk geval wel uit, dat de Witte druiven
relatief meer betekenen dan tien jaar eerder bij tellingen is gebleken. Verwacht
wordt dat vooral ook aan de Golden Champion uitbreiding zal worden gegeven. De
druif ontbreekt echter wel geheel op de in de Naaldwijkse veiling gehouden
fruitshow van de NFO eind oktober 1953. Dat wordt door velen betreurd, maar het
heeft alles te maken met het tijdstip waarop de show wordt gehouden. Je kunt
daar moeilijk met koelhuisdruiven aankomen. "Een koelhuisdruif mag je niet
helemaal vergelijken meteen verse druif", wordt terecht beweerd. "Je moet ze met
andere maatstaven beoordelen. Maar één ding staat vast: er mag aan de smaak
niets haperen. Juist als de druiven schaarser en duurder worden moeten
'tegenvallers' bij de consumenten niet mogelijk zijn."
![]()
Vroege inval vorst richt grote schade aan in 1922.
De winter kondigt zich nu precies tachtig jaar geleden
(2002) vroeg aan. Eind oktober vriest het al behoorlijk. Voor tuinbouwend Westland dat er toch al niet zo best voor staat, is dat een forse tegenslag. De groenten zijn duur en de schaarste die nu ontstaat drijft de prijzen verder op.Door: Aad van Holstein, uit Westlandsche Courant 26-10-2002
Noodlottig.
Zo noemen veel tuinders de vroege vorstperiode van 1922. Hoewel niet alles wat
er aan bonen, spinazie en andere groen- tenbuitenstaat, verloren is gegaan,
hebben toch ook de producten onder het platte glas veel te lijden. En dat in een
jaar, waarin het toch al zo slecht gaat met de tuinbouw. Nu de spinazie zo duur
is, hebben veel tuinders dit onder de ramen uitgezaaid. Het stond er vorige week
nog goed bij, maar wie niet heeft gezorgd voor een goede afdekking met matten,
merkt toch dat veel gewas dat dicht tegen het glas staat toch is bevroren: De
schade die daardoor ontstaat! loopt tot in de honderden guldens.
Het is het gesprek van de dag bij alle twaalf Westlandse veilingen. Zelfs de tomaten in de warenhui- zen kunnen worden afgeschreven. Sommigen zitten met de handen in het haar. Het is dan ook een troosteloos gezicht. Waar je ook komt, overal ligt het gewas tegen de grond, omdat de bevroren stengels de zware vruchten niet meer kunnen dragen. En er hangen nog duizenden kilo's onder om te worden geplukt.
Keurmeesters
Hier en daar zie je ook /werkelijk nog mensen de handen uit de mouwen steken om
te proberen de beste Vruchten van onder het gewas vandaan te rapen en ze, alsnog
naar de veiling te brengen. Als de keurmeesters vinden dat de tomaten er nog
behoorlijk uitzien, wordt daar toch nog een bedrag van zes tot acht gulden per
honderd kilo voor gegeven, Maar als de kwaliteit minder is, varieert de prijs
van slechts tachtig cent tot 1,20 gulden.
Sommigen moeten zelfs onverrichter zake doorvaren, omdat de aanvoer niet afgemijnd wordt. Een hard gelag. De enige goede tomaten die ter veiling worden aangevoerd, komen uit de stookkassen. Die mogen dan 24 tot 38 gulden per honderd kilogram opbrengen, ze kosten natuurlijk een vermogen aan steenkool. En dat allemaal in een tijd, dat de Westlandse tuinbouw steeds verder wegzakt in het moeras, Er gaan zelfs stemmen op om het glas land weer om te zetten in grasland. Er zijn voorde tuinbouwproducten gewoon niet genoeg afnemers, dus is het zonde te veel grond productief te maken voor het telen van groenten, zo wordt er geredeneerd. Sommige Westlanders die er zo over denken noemen het een nuchter feit, dat ze maar hebben te aanvaarden. Gronden die veraf liggen van de grote steden, moeten volgens hen zo spoedig mogelijk voor de veeteelt worden gebruikt. Er wordt zelfs hardop gepleit voor het geven van premies van 200 tot 300 gulden per hectare om tuinbouwbedrijven om te zetten in bijvoorbeeld akkerbouwbedrijven.
Veilingkrediet
Het geld daarvoor moet dan wel worden opgebracht door de tuinders zelf en niet
alleen door de regering. Zo'n regeling wordt vergeleken met die van de arbeiders
die 20 tot 30 cent per week contributie betalen aan hun werklozenfonds. De
regering draagt dan de helft bij. Opmerkelijk is vooral het plan van een bekende
voorman uit Loosduinen, C. van Spronsen. Hij wil een veilingkrediet met garantie
van de staat. Dergelijke plannen schieten in Het Westland als paddestoelen uit
de grond. In tuinbouwkringen dringt zo sterk het besef door, dat de toestand
zorgelijk is mede als gevolg van te zware belastingen, pachten en hypotheken,
maar dat de eigen organisatie in de eerste plaats aangewezen is om in te
grijpen. Daarmee wordt dan met de vingers gewezen op het Centraal Bureau van de
Tuinbouwveilingen in Nederland, dat in Den Haag zetelt.
"De zachte kussens in de Javastraat moeten verlaten worden voor de harde werkzetels", schrijft bij voor- beeld de Westlandsche Courant begin november met de bewering dat het bureau immers over de financiën beschikt en dat daarmee de zwaarst getroffenen kunnen worden geholpen. "Hiervoor hebben we geen nieuwe maatschappij nodig", schrijft de krant die daarmee de suggestie van ene heer Balk neersabelt." Al te veel personen en organisaties parasiteren reeds op den arbeid onzer tuinders. Neen, onze eigen organisatie kan en moet helpen op gemakkelijke voorwaarden en zoo laag mogelijk rentevergoeding."
Alarmerend
Iedereen is ervan overtuigd, dat de. tuinbouw een moeilijke tijd tegemoet gaat
en dat het niet gemakkelijk zal zijn het geheel nog drijvende te houden. Maar zo
erg als een correspondent van de Telegraaf het maakt, is het nou ook weer niet
met de tuinbouw. Hij fietst op een droge dag door het Westland en komt op een
ochtend in die krant meteen uiterst alarmerend stuk, waarin staat dat de
Westlandse tuinbouw tot ondergang gedoemd is. Dat slaat in tuinbouwkringen in
als een bom. De publicatie wordt door de Westlandse voormannen als Jan Barendse
betiteld als 'ongegrond wanhoops geschreeuw van een volkomen onbevoegde'. De
tuinders worden in dat karikaturale stuk afgeschilderd als arme stakkerds, aan
wie men geen krediet meer kan verlenen.
Dat pikt geen enkele Westlander.
![]()
Een nieuwe tomaat! Opvallend nieuws in het Westland van tachtig jaar geleden.
(2002) Een lichtpuntje in een uiterst donkere periode voor de Westlandse tuinbouw. De tomatenteelt wint steeds meer terrein. Gelukkig zijn er telers die verder kijken dan hun neus lang is.Door: Aad van Holstein, uit Westlandsche Courant 02-11-2002
Tuinder Van den Broek, een bekend tomatenkweker uit Poeldijk, kan in november 1922 tevreden zijn. Een proef genomen op zijn bedrijf is een groot succes. Het levert het Westland een geheel nieuw tomatenras op: de Excelsior. Ontdekt in Amerika. Op een heel andere plaats dan bij Van den Broek in Poeldijk is met het zaad van deze plant nog een parallelle proef genomen. Voor de zekerheid. En met hetzelfde schitterende resultaat. Dat de proef is genomen komt door de inventiviteit van twee mannen, H. van der Kallen en A. H. Mank. Zij hebben twee jaar eerder het initiatief genomen om per schip naar Amerika te vertrekken om daar een van de grote Amerikaanse Tuinbouwtentoonstellingen te bezoeken.
Daar zien zij tot hun verbazing dat de Amerikanen een tomaat hebben bekroond, die alle kwaliteiten in zich heeft om in Nederland goed te gedijen. De vorm en het model van de vrucht blijken ideaal. De beide Hollanders stappen dan ook resoluut op de Amerikaanse zaad handelaren af en proberen zo te achterhalen waar de tomaat vandaan komt en welke eigenschappen hij heeft. Ze slagen erin wat zaad te kopen en mee te nemen naar Nederland. In het Westland wordt de actie van het tweetal vrij nuchter ontvangen. Niemand ziet er al meteen iets buitengewoons in, want het sortiment waarover de streek inmiddels beschikt is vrij groot. Al is dat wel verre van volmaakt en wordt er naarstig gezocht naar verbetering ervan. Dat men aanvankelijk denkt dat deze tomaat wel net zo zal zijn als de andere ligt dus voor de hand,
Hij groeit misschien ook wel net zo door aan de
bloemtrossen of heeft net zo goed last van 'krullers' bij het jonge plantgoed.
En het is maar de vraag of deze tomaat geen last heeft van barsten of van een
overvloedige productie van bonken. En zou hij wel geschikt zijn Voor de stook ?
Eigenlijk is de proef niet opgezet om een nieuw soort tomaat op de markt te
brengen, maar vooral om eerst al de eigenschappen van deze soort goed te
onderzoeken en vast te stellen.
Verbeteren
De nieuwe Excelsior tomaat moet dus de in het Westland bestaande soorten in veel
opzichten verbeteren, wil hij aanslaan. Daarom worden ook niet meteen na de
ontdekking zaden van deze soort te koop aangeboden, maar wordt eerst nog eens
door vier kwekers in het Westland en een in Noord-Holland een proef onder gewone
omstandigheden genomen in een gewone stookkas, in een warenhuis en op het open
veld. Ook Van den Broek doet weer mee en heeft zo een gedeelte van zijn
stookkassen beplant met Ailsa Craig (een oude variëteit) en een deel met de
nieuwe Excelsior.
En wat is het resultaat? Bij de Ailsa Craig komt in de jonge plantjes 2S tot 30 procent krulziekte voor. Bij de Excelsior niet! De vruchtopbrengst begint bij beide soorten tegelijk, maar de Excelsior blijkt veel krachtiger te groeien. De oogst in de stookkas blijkt bij de Excelsior per struik anderhalf pond meer op te leveren dan bij de ander. Ook op allerlei andere teelttechnische punten steekt de Excelsior met kopen schouders uit boven de andere soort. De proefnemers uit het Westland zijn dan ook zeer1evreden over deze nieuwe tomaat en beschouwen hem als een belangrijke aanwist in het tomatensortiment.
De nieuwe tomaat wordt geoogst in een jaar, dat financieel gezien een slechte periode voor de tuinbouw is. Maar het jaar 1922 is over het geheel genomen wel als een uiterst vruchtbaar jaar aan te merken. Er is sprake van een milde overvloed van groenten en fruit. Van alles is er volop, zodat menig gezin voordelig inkopen kan doen. "Wat een verschil bij verleden jaar, toen alles peperduur was", verzucht een consument in een ingezonden stuk in de Westlandsche Courant. "Zelfs mijn kapper, die bij elke gelegenheid afgeeft op de 'boeren' (lees: tuinders) toont zich nu tevreden", schrijft hij.
Maar hij vergeet dat in bijvoorbeeld Noord-Holland de kool op het land blijft staan, omdat de, tuinder er de transportkosten niet kan opbrengen. Een groentehandel adverteert: 'Prima aardappelen' f 3,: per 100 pond en op elke 100 pond 50 pond cadeau...', Terwijl het Westland tobt met toch wel een malaise, denkt de Haagse stedeling: "Van die overvloed eet de boer nu toch ook. Hij zit er volop in. En verder kan hij best een stootje lijden". Een lichtstraaltje gloort er in de verbetering van, de bonenprijs, die in november tot 6 á 14 cent per kilo is gestegen, maar dat zwakke I schijnsel wordt weer weggevaagd door de zware slagschaduw die de tomatenhandel naar alle' kanten werpt.
De zeer lage prijzen van de laatste tijd blijven ook nu bestaan. Er wordt slechts vijf tot acht cent per kilo betaald. De B en CC tomaten gaan voor een halve cent of een cent per kilo. Het natuurproduct wordt niet eens geplukt. De druiven dalen van begin tot eind van de week nog ongeveer zes cent per kilo. Nee, veel verdienen doen ze in 1922 in het Westland niet. Ook al besluit het gemeentebestuur van Den Haag een flinke hoeveelheid snijbonen tegen een lage prijs te kopen en onder de armen van de stad te verdelen.
![]()
Journalist Piet Bot brein achter het druivenfeest
Als iets in een recordtijd in het Westland is georganiseerd, dan is het wel het eerste Druivenfeest, nu vijftig jaar geleden. Begin juli 1952 is er nog vrijwel niets over bekend, want op de elfde van die maand verschijnt plotseling het eerste aarzelende persbericht. Kennelijk om de streek voor het idee rijp te maken.
door: Aad van Holstein
De
Westlandse krantenlezer
wordt inde zomer van1952 heel langzaam op het Druivenfeest voorbereid, Op 11
juli schrijven de dagbladen in het Westland - dan nog De Westerbode, Het
Binnenhof, de Haagsche Courant, de Nieuwe Haagsche Courant, Het Vrije Volk,
Trouwen het Haags Dagblad, allemaal voorzien van eigen Westlands nieuws -
schuchter over de vage plannen. 'Waarom geen druivenfeesten in het Westland?'.
"Kijk eens naar Uden! Dat was vroeger een van de meest onbekende kersencentra
van ons land. Thans, nu jaarlijks een groot kersenfeest wordt gehouden, kent"
iedereen in de wijde omgeving - de Udense zwarte kers: De jaarlijkse Kersenhof
heeft hiervoor gezorgd", aldus het persbericht,
Jopie
Steenks,
twee
maanden later in functie als de eerste druivenkoningin, heeft onlangs tijdens de
opening van de tentoonstelling 'Druiven teelt en druivenfeesten in het Westland'
- onthuld, dat dit bericht alleen maar geïnspireerd kan zijn door Piet Bot,
bekend journalist in het Westland. We vindende toespraak integraal afgedrukt in
het laatste nummer van het blad 'Westlands Streekhistorie' als een interessant
document over dit eerste druivenfeest. "Hij had een zeer creatieve geest'! ,
aldus Jopie, al bijna vijftig jaar mevrouw Vingerling, "De teksten van het
Druivenlied en Westland, Glazen Stad zijn van hem. Ze hebben het Westlands
Mannenkoor zijn bekendheid landelijk uitgedragen.In juni 1952 moest hij voor het
blad 'Groenten en Fruit' in Brabant een reportage maken over het wel en wee van
de kersenteelt. Zondags was daar een optocht, opgesierd door de plaatselijke
verenigingen de nodige muziekkorpsen en uiteraard kersen,kersen en nog eens
kersen. Thuisgekomen dacht hij: "Waarom doen wij als Westlanders dit niet voor
onze druiventeelt? Met een heuse druivenkoningin! Iedere streek heeft er wel
een. Een heidekoningin in Ede, een Kaaskoningin in Haarlem en Den Haag heeft
zijn bloemenkoningin. Hij werkte zijn idee uit". Jopie vertelt het allemaal in
haar toespraak. Ook hoe het geld voor het feest bijeen is gebracht. Met een
bijdrage van een halve cent per kistje van vier kilo druiven door iedere teler.
Ook de Bond Westland, die de beweging rond de druif mede op gang heeft gebracht,
doet royaal aan de reclame mee. Veilingen brengen nog eens 3000 gulden bijeen.
Aan alle verenigingen wordt verzocht op een of andere manier mee te doen. De
respons is massaal.
Het druivenfeest wordt zo langzaam maar zeker in het oranjefeest geïntegreerd de Naaldwijkse middenstand doet graag mee. Op 15 juli schrijven de kranten nog in vragende vorm: 'Komt er in Naaldwijk een braderie?'. Maar velen weten al dat dit zeker doorgaat. Maar wat is een braderie? Niemand heet er ooit van gehoord. Wel, schrijft de krant, het gaat om een verkoopgelegenheid in de open lucht. Een soort jaarmarkt op moderne leest geschoeid. Al te zien in verschillende plaatsen in ons land. Het oranje comité én de plaatselijke middenstand gaan kijken in Oegstgeest en in Almelo. In de laatstgenoemde plaats wordt de braderie al weer voor de derde keer gehouden. En ze komen enthousiast thuis.
Standruimte
Op 31
juli valt het besluit in café Jansen in de Molenstraat, waar de winkeliers er
massaal mee instemmen. De zevenhonderd meter beschikbare standruimte is bij
lange na niet voldoende om alle belangstellenden een plekje te geven. Overal
duikt Piet Bot Op als stimulator en organisator, ook hier. Hij voert het
secretariaat van de braderie, waar uiteindelijk niet alleen de hoofdstraten van
Naaldwijk, Herenstraat, Molenstraat, Rembrandtstraat en Wilhelminaplein maar ook
de Korte Rembrandtstraat en de Emmastraat bij worden betrokken.
Op 13 augustus wordt bekend, dat een speciaal comité Westland-Druivenland is opgericht, waarna op 21 augustus de benoeming bekend wordt van de eerste en - naar later zal blijken - enige druivenkoningin: de 22-jarige tuindersdochter Jopie Steenks, werkzaam op de kwekerij van haar vader Jan Steenks. "Hoe ben ik gekozen?", zegt Jopie in haar toespraak bij gelegenheid van de expositie."Heel simpel, mijn vader was bestuurslid van de veiling, penningmeester van het oranjecomité en tevens druivenkweker. Heer Bot vond dat ik maar koningin moest worden. Veel richtlijnen waren er nog niet. Ik ben in Den Haag naar de Bloemenkoningin gaan kijken. Ook lette ik wat scherper op de echte Koningin; Wat aan te trekken? De echtgenote van de heer Bot had in de Rembrandtstraat een modevakschool, waar veel meisjes leerden voor zichzelf kleding te naaien. Mevrouw Bot en haar assistente, mevrouw Hanemaayer zouden voor de japon zorg dragen. Het ontwerp was snel beslist. Cirkelrok, strak lijfje en een hals zoals bij de japon die de Engelse Queen Elizabeth' droeg toen ze gekroond, werd. Nu de stof. Verschillende stoffenzaken in Den Haag werd om medewerking gevraagd. Sommigen ,vroegen een hele pagina advertentie in de krant en voor de stof de halve prijs.. Weer anderen eisten grote foto's in hun zaak Benard Snoek in de Weimarstraat nam met een halve pagina genoegen en zou de stof schenken.Tegenwoordig heet dat sponsoring. Daar kwamen later nog twee hofdames jurkjes en maar liefst 26 dirndljurkjes bij voor de druivenmeisjes. Alles werd genaaid op de eerste etage van de school".
Noodklok
Jopie kan er nu nog volop van genieten, net als tijdens het feest dat helemaal
draait om de Westlandse druif. En intussen worden er in 1952 bij de veilingen in
het Westland steeds meer tomaten - en minder druiven - aangevoerd. De prijzen
zijn weliswaar redelijk, maar toch wordt de noodklok over de glazenstad geluid.
De druiven teelt moet desondanks nieuw leven ingeblazen worden vindt men. De
sluiting van de grens vormt immers een reële bedreiging voor het oprukkende
Westlandse product. Het Nederlandse volk zelf consumeert veel te weinig tomaten,
zo wordt er geklaagd, Nog even wordt er in het Westland gepleit voor de teelt
van nog weer ander kasfruit zoals perziken als middel tegen de smalle basis .van
de tomaat. Maar intussen drukken de persen van een Westlandse drukkerij op volle
toeren vele duizenden reclamebiljetten af. Ze worden verspreid doorheel het
land. En wat staat er op? Een aardig meisje, dat Westlandse druiven eet'.
Overgenomen uit de Westlandsche Courant van zaterdag 24 augustus 2002
![]()
Eerste braderie in het Westland valt bijna in het water.
Wekenlang is het mooi zomerweer in 1952. Maar uitgerekend op de eerste dag van het eerste druivenfeest in Naaldwijk komt de regen met bakken uit de hemel zetten. De eerste Westlandse braderie valt daardoor bijna in het water. Maar als Jopie 5teenks, de eerste en enige echte Westlandse druivenkoningin, tijdens een opklaring feestelijk is ingehaald, wordt het toch lekker druk in Naaldwijk.
Door: Aad van Holstein
Het is
woensdag 3 september 1952.
De regen komt zo nu en dan met bakken uit de hemel. Leo en Jacques Vollebregt,
eerstgenoemde is voorzitter van de Naaldwijkse Middenstand, sjouwen als het even
wat droog is wat af in de Herenstraat. Ze bouwen mee aan een door de middenstand
georganiseerde braderie, de eerste in het Westland. Al enkele jaren zetten ze
beiden het herenmodemagazijn voort dat vader Leen Vollebregt vele jaren in
Naaldwijk heeft gevoerd. De oude heer Vollebregt heeft zich letterlijk met zijn
vrouw teruggetrokken op een etage achter de winkel, waar hij Zich hoofdzakelijk
bezighoudt met het veelvuldig bespelen van de piano. De man is namelijk zeer
muzikaal en geniet ook bekendheid als organist van de St.-Adrianuskerk aan de
Molenstraat.
Of hij echter, als hij ook nog zo jong was als zijn zoons, het zou zien zitten een tijdelijk winkeltje op straat te bouwen, valt te betwijfelen. Aan zijn gezicht is het echter niet af te lezen. Met belangstelling volgt hij onder een grote zwarte paraplu toch het werk, dat door hen wordt verricht. De opbouw van een braderie, iets waar hij nog nooit van heeft gehoord. Daarbij worden ze geholpen door enkele familieleden, vrienden en bekenden en in samenwerking met de wat verderop in de Herenstraat residerende dames Van der Knaap van 'Maison Modern'. Tussen de regenvlagen door krijgen zo overal in Naaldwijk de 'winkels op straat' steeds meer gestalte. Geïmproviseerde stands, voor eenmalig feestelijk gebruik.
Braderie.
Jammer
dat het weer zo tegen zit. Maat gelukkig worden de nijvere bouwers gesterkt door
het besef dat ze niet de enigen, zijn die daar last van hebben. Want vrijwel
alle Naaldwijkse middenstanders gaan er immers letterlijk onder gebukt. Ze
worstelen allemaal met hetzelfde probleem in de hele Herenstraat, aan het
Wilhelminaplein en in de Molenstraat en enkele zijstraten waar de braderie
gestalte krijgt. Overal wordt heftig gebouwd aan tijdelijke verkooppunten, waar
later zich - ondanks sombere verwachtingen - toch vele feestgangers zich zullen
verdringen. Vollebregt verkoopt dus herenkleding en in samenwerking met het aan
het Wilhelminaplein gelegen winkeltje 'Maison Modern' (voorheen het
hoedenwinkeltje van Tilly Vollebregt), waar het accent meer op de dames ligt,
wordt het zo een mooi compleet aanbod voor beiderlei kunnen. Vollebregt mikt
vooral op de verkoop van hele fraaie vesten, die net voor het najaar van 1952 in
de mode zijn gekomen. Maar misschien zouden net nu beter regenjassen hebben
kunnen zijn.
Baldakijn.
De
zware, zwarte deur voor de poort naast de winkel van Vollebregt zwaait
plotseling moeizaam open als ineens een groepje mannen komt aandragen met iets
dat in de verte enigszins op een baldakijn lijkt. Het is de kleine even tevoren
in elkaar getimmerde en daardoor toch enigszins draagbare stand van Marcel van
der Vlugt, de pas beginnende Naaldwijkse fotograaf die zijn donkere kamer heeft
in een ruimte achter het modemagazijn, onder het woonhuis van L. Vollebregt. Hij
is verloofd met diens dochter Kitty. Plannen om in Cruysbrouck een winkel te
openen liggen dan nog diep in de ijskast. Per bromfiets trekt hij er dagelijks
op uit om in het hele Westland foto's te maken. In de donkere kamer komen daarna
de door hem in een oogwenk geschoten bruids- en andere foto's in een
geheimzinnig chemicaliën bad als het ware langzaam tot leven. Menig jawoord
wordt daar in Zwart-Wit voor de eeuwigheid vastgelegd. Bekend is hij intussen
ook geworden om al zijn mooie familiefoto's, die hij in menig Westlandse
huiskamer schiet. !n zijn wankele stand wil Marcel die binnen veertien dagen
zijn papieren van de Kamer van Koophandel binnen hoopt te hebben, nu evenals de
andere winkeliers van Naaldwijk zich eens duidelijk presenteren met de verkoop
van rolfilms - "Geen filmrolletjes", zegt hij steevast - en het bestellen van
huwelijks- en andere reportages. Althans als straks de regen een beetje wil
afnemen, want daar ziet het vooralsnog helemaal niet naar uit.
Een medewerker van een heel andere firma Vollebregt (RTV, Radio Techniek Vollebregt) uit Den Haag die voor 1952 uitstekende geluidsapparatuur verhuurt, sleurt een ladder van het ene punt naar het andere om overal luidsprekers op te hangen. Op de hoek van de Julianastraat en de Molenstraat komen allerlei kabels samen, want daar wordt tegen het oude schoolgebouw van de 0.1. Lagere school aan een soort omroepcel geplaatst. Op die plek begint ondergetekende, als alles tenminste hangt en functioneert en de eerste feestgangers zich druipend aankondigen, stemmige plaatjes te draaien van onder anderen de pianist Charley Kunz en daar tussendoor reclameboodschappen om te roepen. Met teksten die onder meer betrekking hebben op al genoemde winkeliers en het winkeltje van 'tante' Cato Borsjé, die onder meer breiwol verkoopt. Anderen willen de aandacht via de luidsprekers vestigen op hun stofzuigers of hun gedestilleerd. En: "Een taxi nodig! Bel Beltax", waarmee het taxibedrijf van de heer Bellersen uit de Molenstraat wordt bedoeld. "Uw natte regenjassen kunt u bij Eenzo laten uitwringen", klinkt het door over de braderie. En dan gaat het over de winkel van de familie Van Ewijk die onder meer wasmachines met toebehoren verkoopt.
Instorten.
De
halve Julianastraat staat vol met tafeltjes en stoelen van het verderop gelegen
buurtcafé, maar dit terras met de naam Juliana trekt de eerste uren in het
geheel geen publiek. De firma Bahlmann uit de Molenstraat zit het ook niet erg
mee op de braderie. Het dak van de stand houdt het niet onder de zware druk van
het regenwater en stort met een luid geraas half in. Kruidenier Herman Peters
probeert de moed erin te houden door overal heerlijke soep uit te delen.
Intussen breekt tijdens een tijdelijke, brede opklaring het druivenfeest toch in
alle hevigheid los. Druivenkoningin Jopie wordt ingehaald. Maar alle betrokkenen
zijn het er roerend over eens: ondanks het slechte weer is tijdens het eerste
druivenfeest in 1952 het gedeelte van de braderie op het hoekje van de Molen- de
Heren- en de Julianastraat, het gezelligste plekje van Naaldwijk. Ik hoor het me
nog overtuigend door de microfoon zeggen: "Wat druiven zijn voor het Westland,
is Vollebregt voor uw kleding".
Overgenomen uit de Westlandsche Courant van zaterdag 31 augustus 2002
![]()
Duizenden Westlanders bewonderen Druivenkoninging.
Naaldwijk loopt compleet uit als op woensdag 3 september 1952 het eerste druivenfeest wordt gehouden. Druivenkoningin Jopie Steenks waant zich van adelijke afkomst en wordt als een ware heldin ontvangen en geïnterviewd door NCRV-man Rick Felderhof.
door: Aad van Holstein
Hotel Torenburg, vele jaren het centrum van tal van activiteiten in Naaldwijk, speelt ook op het eerste Westlandse druivenfeest een centrale rol. In deze op de hoek van de Herenstraat en het Wilhelminaplein gelegen horecagelegenheid arriveren de nog in regenjassen gestoken en onder paraplu's gebukte genodigden om de grootse intocht mee te maken. Het zijn de notabelen uit het Westland: predikanten, burgemeesters, wethouders, veilingbestuurders en raadsleden. Kortom een illuster gezelschap. Het door hen voortgebrachte geroezemoes neemt af als de voorzitter van de plaatselijke Oranjevereniging D. Th. van Dijk het woord neemt.
"We zijn hier bijeen voor een uitzonderlijk feest", verkondigt hij. "Niet eerder is een zo uitgebreid feest georganiseerd. Dat komt volgens hem vooral door het druivenfeest,. dat in overleg met de Bond Westland in minder dan geen tijd op touw is gezet en tevens door de eerste braderie, een initiatief van de Naaldwijkse middenstand. Burgemeester S. Hoogenboom haakt daar op in. Het feest is eigenlijk gekomen in plaats van de viering van de verjaardag van koningin Wilhelmina. Koningin Juliana viert haar verjaardag op 30 april, maar dan is het te druk in de Westlandse tuinbouw, zodat nu maar gevierd wordt dat Juliana in september de regering aanvaardde. "Feest wordt er gevierd, ook al zijn de tijden somber", zegt de in zijn doen en laten maar ook uiterlijk om te zien nog echt de rondborstige burger vader van Naaldwijk, die vervolgens een lint doorknipt om de toegang nog tot de braderie vrij te maken. Het feest is daarmee geopend.
Rijpaarden
Rondom
de bloemenveiling CCWS aan de Dijkweg in Honselersdijk is het intussen al een
drukte van belang. Daar stelt het Haagse Politiemuziekkorps Onderling Kunstgenot
zich op met daarachter vijf ongeduldig trappelende fiere rijpaarden met in hun
zadels evenzoveel amazones van de Landelijke Rijvereniging De Delflandruiters.
Daarachter staat een open rijtuig gereed voor de burgemeester en de voorzitter
van het oranjecomité. Zij arriveren daar net op tijd om in de stoet mee te
rijden vlak voor de met vier schimmels bespannen open calèche, waarin de
druivenkoningin Jopie Steenks geflankeerd door haar hofdames plaatsnemen.
Als de stoet zich vervolgens in beweging zet, blijken duizenden belangstellenden zich langs de route te hebben opgesteld om de druivenkoningin hartelijk toe te juichen. Ter hoogte van de melkfabriek CMC begint de muziek te spelen en krijgt het geheel steeds meer allure. Dat komt mede doordat er ook enkele praalwagens in meerijden. Een wagen is geleverd door de verenigde melkhandelaren, een wagen met druiven en wijnvaten vertegenwoordigt Honselersdijk en een derde wel heel fraaie wagen blijkt van de Bond Westland te zijn. Geflankeerd door twaalf bruidsmeisjes in het wit.
Parmantig
In de
ook al inderhaast georganiseerde stoet lopen parmantig de leden van de
gymnastiekverenigingen DOS, UDI en Westlandia mee. Ze hebben spontaan gereageerd
op de oproep van het feestcomité om de stoet luister bij te zetten en zijn
keurig gestoken in witte uniformen, gesierd met een druivenblad en een
druiventrosje. Niet alleen tamboers en pijpers van DOS uit Naaldwijk; maar ook
die van EMM uit het andere gemeentelijke satellietdorp Maasdijk zijn present en
zo bereikt de stoet via de Dijkweg de Molenstraat, waar ter hoogte van de
katholieke kerk even pas op de plaats wordt gemaakt. Een meisje komt uit het
publiek naar voren en biedt druivenkoningin Jopie namens de Bond Westland
groenten en fruit aan. Maar omdat het Westland ook bloemen heeft wordt de
druivenvorstin als zij op het Wilhelminaplein arriveert ook onthaald met een
bloemenhulde.
Regering
Onder
daverend gejuich verschijnt ze even later op het balkon van de ambtswoning van
de burgmeester, samen met onder anderen de erevoorzitter van het Centraal Bureau
van de tuinbouwveilingen in Nederland Jan Barendse. De burgemeester verwelkomt
haar hartelijk en roept uit, dat Naaldwijk niet onder hoeft te doen voor Ede of
Den Haag, waar ook koninginnen rondlopen. "Gaarne draag ik u de regering over
druivenland over", zegt hij. In een proclamatie antwoordt de jeugdige koningin
gekleed in een goudgele robe van crêpe satin met duidelijk door Piet Bot
geïnspireerde woorden: "Mijn volk viert feest, viert een druivenfeest naar
aanleiding van het feit, dat wat het zo naarstig kweekt vonder glas, rijp is,
klaar voor de oogst". Ze verkondigt, dat de Westlandse druif weer goeden zoet is
en ze laat haar woorden vergezeld gaan van de beste wensen voor deze teelt.
Na deze balkonscène wordt de 22-jarige druivenkoningin Jopie Steenks omstuwt door journalisten, die het hunne over de jonge vorstin voor hun lezers te weten willen komen. "Ik voel me echt een koningin", laat ze uit de grond van haar hart weten aan onder meer de journalist Fons Oremus, die een uitgebreid verslag maakt voor dagblad Het Binnenhof. "Dit is geen pedanterie, want, ondanks haar duur gewaad en ondanks de vele eer die haar bewezen wordt is deze 22-jarige de eenvoud zelve. Zij ziet deze week als bekroning van haar meisjestijd, dienaar zij hoopt spoedig afgesloten zal worden door het huwelijk met een jeugdige Naaldwijkse boekhandelaar", zo geeft hij zijn indrukken weer. Met die boekhandelaar doelt hij op Herman Vingerling de ook in de plaatselijke journalistiek actieve latere echtgenoot van Jopie. De druivenkoningin toont zich erg verheugd over het feit, dat zij bij de echte koningin op audiëntie mag gaan, "Zie je er tegenop, Jopie?" Nee, helemaal niet, is het antwoord. "Wat ik van onze koningin heb gehoord is dat zij erg eenvoudig is". Jammer dat ze later de koningin net misloopt...
Verburch
Jopie
bevestigt dat zij wel degelijk in druivenkassen heeft gewerkt. Dat is de volle
waarheid, die ook nog eens herhaald wordt door de oud-voorzitter van de Bond van
Westlandse veilingen Jan Barendse. Hij vertelt dat niet met zekerheid te zeggen
is wanneer de druiventeelt in het Westland is begonnen. Pastoor Verburch heeft
de teelt hier ingevoerd. De persontmoeting wordt ineens onderbroken om te
luisteren naar een inderhaast geplaatste radio. De NCRV heeft' een uitzending
over de feestelijke intocht. De druivenkoningin en de beide hofdames Zwinkels en
Kuyvenhoven luisteren met aandacht naar de graag gehoorde Rick Felderhof vader
van die van de 'villa' die voor een puike reportage zorgt. , Eenmaal op straat
merkt Oremus, dat het druivenfeest in volle gang is. De mensen verdringen zich
voor de stands van de allereerste Westlandse braderie.
Overgenomen uit de Westlandsche Courant van 7 september 2002
![]()
Door: Jan Dahmeijer
Uit: Westlandse streekhistorie jaargang 12 nummer 2 2003
De laatste jaren wordt er hard gewerkt aan verbetering van de infrastructuur van het Westland ener gaat nog veel meer gebeuren in het kader van het integraal ontwikkelingsplan Westland (IOPW). Er worden nieuwe wegen aangelegd, er vindt herverkaveling plaats van oude glastuinbouwgebieden, er komt industrie en er wordt plaats ingeruimd voor natuur en recreatie. Een ambitieus plan, waardoor het Westland de komende jaren rigoureus op de schop gaat.
Ook in vroeger tijd werden er ingrijpende plannen gemaakt. Om onze streek beter te ontsluiten kregen de Westlandse dorpen rond 1880 een spoorverbinding met Den Haag. Dat ging niet zonder slag of stoot, er waren voor- en tegenstanders en er werden door de gemeente voorschiften gegeven voor dit nieuwe vervoermiddel. Uit die beginperiode van de Westlandse tram melden wij u het volgende.
In de Courant voor Maassluis, het Westland en Rozenburg van zaterdag 3 maart 1877 werd met instemming gereageerd op een concessie aanvrage voor een spoorwegverbinding, die tot doel had het Westland aan te sluiten op het bestaande Nederlandse spoorwegnet. Men stelde vast dat er in het Westland grote behoefte was aan een railverbinding, omdat onze vruchtbare en welvarende streek nooit tot volle ontwikkeling zou kunnen komen zonder een "ijzeren weg" die een goede verbinding zou geven met de belangrijkste centra van handel en nijverheid in ons land en de voornaamste havens.
De redacteur schetste in zijn artikel enthousiast het volgende prachtige toekomstbeeld:
"Instappen heren. De stoomfluit gilt ... En daar rolt het vurig spook dezer eeuw, tussen de welige akkers van 't Westland door, hier een lading verse groenten, daar een partij geurige en kleurige vruchten opnemende, om ze in een oogwenk naar 't andere einde des lands, ja naar den vreemde te voeren. Vreemdelingen van heinde en ver, reizigers in allerhande artikelen, die in de Residentie of te Rotterdam toeven, komen met een retourbiljet even naar Naaldwijk, Monster, Loosduinen en 's-Gravesande, hetzij uit pure nieuwsgierigheid om de schoone streek te leeren kennen, die als 't ware het recht heeft zich Hollands tuin te heeten, of om als mannen van zaken bij de kleine winkeliers in 't Westland hun goederen aan te bieden. Wat een gerief voor de bewoners. Zo ziet men nog eens wat van de wereld en om de kosten hoeft men het niet te laten. De spoorweg brengt heel wat vertier en gedoe in 't Westland en men moet zeggen dat we er alleen mee vooruit zullen gaan."
Niet iedereen was echter even positief, tegenstanders van de tram waren vooral schippers van de trekschuiten die het vervoer van personen en goederen naar de steden verzorgden, zij hebben zich flink verzet tegen de tram.
Een paar jaar later was het dan zover. Op 24 april 1882 verleende de gemeente ’s-Gravenzande aan de WSM vergunning voor het aanleggen van een stoomtramspoorlijn met wissels en uitwijksporen vanaf de bebouwde kom tot aan de grens met Monster. Op 22 maart 1883 vond op I het station van de Hollandsche Spoorweg in Den Haag de aanbesteding plaats van de door de WSM aan te leggen spoorbaan, met inbegrip van kunstwerken, voor het gedeelte Poeldijk. Monster 's-Gravenzande.
Daarna verscheen in het
Rotterdams Nieuwsblad het volgende artikel waarin de komst van de tramverbinding
werd toegejuicht:
" Het Westland, een der schoonste oorden onzer provincie, zoo niet het
schoonste, gelijkt op sommige plaatsen een veld van bloemen; de vruchtboomen
geven een verrukkelijk gezicht en niet het minst in dezen tijd van het jaar is
die streek een bezoek overwaard. Tot heden echter lieten de verkeersmiddelen ook
daar veel te wenschen over. Aan de Loosduinsche brug te 's Hage kon men des
namiddags een omnibus(rijtuig) aantreffen, doch niet altijd gelegenheid om er
een plaatsje in te vinden. In den letterlijken zin van het woord was de eigenaar
conservatief behoudend: zijn omnibus dateerde uit het laatst der vorige eeuw
(van voor het jaar 1700 dus), hij zelf en zijn paard van de eerste dagen der 19e
eeuw. De man was niet meegegaan met zijn tijd en liet zijn paard nog geregeld
even snel of langzaam gaan, als een dier; dat de trekschuit van vroeger jaren
langs onze vaarten voortbewoog. Tusschen het roefje van de trekschuit en het
inwendige van den omnibus, die tot voor korten tijd de gemeenschap tusschen het
vorstelijk 's-Gravenhage en de Westlandsche dorpen Loosduinen, Monster en
's-Gravenzande onderhield, was geen verschil op te merken. Als haring saam-gepakt
sleet men er den tijd zoo aangenaam mogelijk en stelde men zich met de trage
beweging van het voertuig tevreden, uit gewoonte en, ook deze overweging was
niet zonder betekenis: Een omnibusknol, gaat nimmer op hol!
Waarlijk
daarvoor bestond geen vrees. Doch kom er nu eens om. De stoom eeuw heeft ook in
Westlands dreven wonderen verricht. Snorrende en brommende doortrekt de
locomotief over ijzeren rails het Westland reeds in onderscheidene delen. Van
Den Haag tot Loosduinen maakt de tram goede zaken, een bewijs dat zij in een
werkelijke behoefde voorziet. Men is thans druk in de weer om de lijn door te
trekken tot Monster, welk werk ongeveer in Augustus aanstaande opgeleverd kan
worden. Dan wordt de lijn tot 's-Gravenzande, het dorp met zijne lieve
omstreken, zijn ijverige en goede bevolking, doorgetrokken.
Het tramverkeer tusschen 's Hage en Naaldwijk is zoo druk, dat gedurende een 4
of 5-tal dagen zelfs elken dag twee extra-treinen zullen loopen, terwijl het
plan bestaat ook retourbiljetten uit te geven.
Welk een hervorming in een paar jaar tijds! De omnibusknol vervangen door het ijzeren stoompaard. De omnibus zelve door een glazen wagen en de conservatieven koetsier door een moderne! De trage omnibus, die op haar reizigers een verdoovenden, verlammenden invloed uitoefende, vervangen door luchtige rijtuigen met licht en leven, waar het gezicht der groene landouwen den reiziger in verrukking brengt en eindelijk: traagheid of verlies van tijd vervangen door snelheid en winst van tijd: het Westland gaat een goede, zegenrijke toekomst tegemoet! “
Met het oog op deze nieuwe ontwikkelingen op vervoergebied stelde de gemeenteraad op 4 september 1883 een verordening vast voor het rijden met de stoomtram. Daarin stond een groot aantal veiligheidsvoorschriften ter bescherming van de burgerij. Er werd een snelheidsbeperking voor de tram in de bebouwde kom ingesteld; de tram mocht niet sneller gaan dan een zeer langzaam lopend persoon. Om de komst van de tram aan te kondigen moest de locomotief voorzien zijn van een luid klinkende bel, die binnen handbereik van de machinist hing. De machinist moest binnen de bebouwde kom en bij het voorbijrijden van zijwegen en straten langdurig en luid aan de bel trekken, ook bij het passeren van personen moest hij de bel luiden. Verder moest de locomotief aan de voorkant twee helder schijnende lantaarns hebben.
Bij het ontmoeten van een lijkstoet stopte de machinist de trein op een afstand van minstens 100 meter en moest hij wachten tot de stoet voorbij was. Een met trekdieren bespannen voertuig of een ruiter moest "langzaam en met uiterste behoedzaamheid en vermijding van elk onnodig geraas" voorbij worden gereden. De tram moest stoppen als een voerman of een ruiter een teken gaf. Hij had dan de tijd om af te stappen en het trek- of rijdier bij de teugels vast te houden totdat de tram gepasseerd was. Voor hondenkarren gold hetzelfde voorschrift.
Bij het naderen van de locomotief mocht men niet tussen de rails komen en moesten voerlieden of geleiders van vee de spoorweg vrij laten. Het was ook verboden om vee te drijven of met karren te rijden op gedeelten van de spoorbaan die afgescheiden waren van de openbare weg. De machinist en de conducteurs van de tram moeten in het belang van de openbare orde en veiligheid de bevelen van de plaatselijke politie onmiddellijk opvolgen.
Verder was het verboden te roken in de voor personenvervoer bestemde wagens van de tram voor zover dat niet uitdrukkelijk door de directie werd toegestaan. Tenslotte mocht de locomotief nooit zonder toezicht blijven staan op voor publiek toegankelijke plaatsen. Op overtreding van deze verordening stond een geldboete van vijf gulden, een fors bedrag voor die tijd.
Vanaf 29 juni 1884 werden er op proef op maandag, woensdag en vrijdag extra vrachttreinen ingezet voor de bezoekers van de Haagse aardappelmarkt. Deze treinen reden vanaf 's-Gravenzande en vertrokken om 245 uur (vanaf Poeldijk om 3.05 uur) en kwamen in Den Haag aan om 3.50 uur. Voor deze treinen werd geen hoger tarief berekend!
In mei 1886 kocht de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij in 's-Gravenzande een stuk grond aan het eindpunt van de tramlijn (aan de huidige Noordwind). Daarop moest, zoals we in de stukken lezen, "een sierlijk gebouwtje verrijzen, bestemd tot wachtkamers (le en 2e klasse), goederen- kantoor en woning van den beambte". Op 26 juli 1886 vond de aanbesteding plaats, op het kantoor van de Maatschappij in Loosduinen. Begin november was het station klaar, zodat reizigers niet meer in weer en wind op de tram hoefden te wachten en de te verzenden goederen droog lagen. Het station had van de gemeente een "vergunning" gekregen, zodat wachtende reizigers er een "hartverwarmertje" konden gebruiken. Dit eerste 's-Gravenzandse station is later verbouwd tot woonhuis, het is het wit geschilderde huis aan de Monsterseweg nr 1, schuin tegenover de Christelijk Gereformeerde kerk. In 1886 duurde de reis van Den Haag (Lijnbaan) naar 's-Gravenzande één uur en 10 minuten, de kosten bedroegen 30 cent (le klasse 40 cent).
In onze tijd wordt het
spoorwegnet zo druk bereden dat vertragingen helaas aan de orde van de dag zijn.
Ook in die tijd reed de tram wel eens niet op tijd. In 1886 lezen wij in de
krant dat de tram naar 's-Gravenzande een half uur vertraging had omdat "op den
oprit van een helling voor den brug op den 's-Gravenzandschen weg de koppeling
brak tusschen de machine en den personenwagen, zoodat de locomotief doorstoomde
en de passagierswagen den terugweg aanvaardde."
Het verschil met nu is dat dit toen in de krant werd vermeld als een komisch
voorval!
In 1905 werd de tramlijn doorgetrokken naar Hoek van Holland en werd aan de Monsterseweg een nieuw station geopend. Dit station staat er nog, daarin was tot voor kort De Nederlandse Zaadcentrale van de heer Minnaar gevestigd.
![]()
Tram maakt 1932 zijn galgenritje.
Op 30 september 1932 maakt het Westlandse trammetje voor wat het passagiersvervoer betreft zijn galgenritje. Op 1 oktober van dat jaar af wordt het personenvervoer dat van 24 juni 1882 per tram bestond, immers geheel en al door bussen overgenomen.
Door: Aad van Holstein
Het is de wil van het Westlands publiek zelf geweest. Het heeft de bus boven de tram verkozen. En met medewerking van de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij (de WSM) zelf heeft de bus tenslotte toch over de tram gezegevierd. Het is zaterdagavond 30 september om 19.20 uur als de tram op het punt staat zijn laatste rit van Den Haag naar Loosduinen te gaan maken. Klingelend en fluitend komt hij de Lijnbaan oprijden. Voor de gelegenheid trekt de locomotief deze avond drie wagens. Op deze altijd als eindhalte gebruikte plek staan nu niet zoveel passagiers meer te wachten als anders. Het zijn meer personeelsleden van de WSM die instappen. Onder hen directeur mr. ir. Roëll en de chef van de exploitatie T. Muller. Verder zijn er wat journalisten en een fotograaf, die kennelijk deze laatste rit nog even in beeld wil brengen. Het flitslicht vlamt enkele malen op: de platen zijn gemaakt.
Prompt geeft de conducteur het sein om te vertrekken. Machinist K. van der Ree antwoordt met een stoomfluitsignaal, waarna de tram zich voor de laatste maal in beweging zet. Met kleppende stoom bel rolt de tram de Lijnbaan uit, de brug over de Loosduinseweg op. Om daar niet meer terug te keren. Langs de route naar Loosduinen, waar zich de remise van de WSM bevindt, komen hier en daar bewoners even nieuwsgierig voor het raam kijken of naar buiten lopen om de laatste tram te zien gaan. Inde wagens heerst ondanks de 'uit Vaart' toch een vrolijke stemming. De directie laat weten dat alle passagiers deze tocht gratis mogen meemaken. Dat is van tevoren niet bekendgemaakt, omdat er anders misschien te veel mensen op af zouden komen.
Applaus
In
Loosduinen stapt iedereen uit, waarna een aantal personeelsleden, verenigd in de
Algemene Vereniging van Spoor- en Tramweg personeel zich naar het wachtlokaal
begeeft. Daar wordt machinist van der Ree opgewacht. Rechtstreeks van zijn
machine komt hij samen met zijn vrouw aanwandelen. Hij wordt met groot applaus
begroet en verwelkomd door collega Weiland. Namens het WSM - personeel dat bij
de vereniging is aangesloten biedt hij hem een leunstoel en een pijp aan. Het
personeel gaat het uiteraard aan het hart dat de tram verdwijnt. Want het leidt
ook voor verscheidene personeelsleden tot ontslag. Om het aantal ontslagen
echter tot zes te beperken blijken sommigen te kunnen gaan werken bij 'Weg en
werken'. De Westlanders zelf zijn er helemaal niet rouwig om dat de tram hen
niet meer van plaats tot plaats of van hun woonplaats naar Den Haag of Delft.
vervoert. De Hagenaars blijken er zelfs blij mee, want de stoom, de stank en het
verkeersgevaar van: de tram zijn ze zat.
De WSM beschikt inmiddels over moderne autobussen, die veel gewilder zijn dan de trams. In januari 1931 - een jaar dus voor de laatste rit - vervoert de tram nog 50.601 passagiers, tegen 151.376 die liever met de bus reizen.In november blijkt dat aantal echter scherp gedaald te zijn, te weten tot 9327, terwijl in de bus 173.998 reizigers zijn geteld. De Westlanders rekenen wel snel af, met een middel van vervoer dat hun gebied in de 1ge eeuw toch doeltreffend heeft weten te ontsluiten. Met zoveel vreugde als de tram in. die tijd werd begroet, met evenveel verachting is zij nu de laan uitgestuurd. Nu moet gezegd dat de tram wel een goede, maar geen snelle verbinding is geweest. De naam WSM wordt in de jaren twintig, dertig vaak vertaald in 'Wij Sukkelen Maar'. Ook scheld titels als 'koffiemolen' en 'brokkebus' klinken in de Jaren dertig vaak door in het Westland, maar ook Westlandse Sluip Moordenaar, maar net als de trekschuit en de diligence ontkomt ook de tram er niet aan tot de geschiedenis te gaan behoren.
Fluitsignaal
Veel
Westlanders zien dat weliswaar met een zekere weemoed gebeuren, maar ze weten
dat gelukkig na 1 oktober toch. het hardnekkig lang aangehouden fluitsignaal van
de vrachtlocomotieven toch blijft klinken. Want voor het vervoer van de veiling
producten blijft de Westlandsetram in de jaren dertig nog steeds onmisbaar. De
reiziger zal dus voortaan niet meer van Den Haag naar Hoek van Holland kunnen
'wiegelen'. En de bewoners van de Loosduinseweg missen hun gratis wekker. De
posterijen hebben de tram al in de steek gelaten en nu ook het publiek de bus
sneller vindt, kan Den Haag slechts de genadeslag geven. De tram is weg, leve de
bus! En ondanks het feit, dat het reizigersvervoer in de jaren dertig
(crisistijd) niet toeneemt, wordt toch een tariefsverlaging toegepast. Alleen de
rit van Den Haag naar Loosduinen is tot 12,5 cent verhoogd.
Voor de andere lijnen is een verlaging van meestal vijf cent toegepast. De ritprijzen Den Haag - Monster en Den Haag - Poeldijk worden zelfs met tien cent verlaagd. Ook in het traject Delft - Maassluis en Maassluis - Hoek van Holland zijn verlagingen toegepast. De Westlanders weten dit zeker te appreciëren, vooral alsmell1 nagaat dat de HTM juist de prijzen heeft verhoogd. Aan de Lange: Beestenmarkt nr. 2 in Den Haag is een wachtlokaal van de WSM geopend, waarmee het eindpunt niet meer aan de Lijnbaan is, dat is alleen nog een halte. De bussen rijden naar de Beestenmarkt, via de Voorburgwal. De personen rijtuigen worden tien jaar later in oorlogstijd weer tijdelijk van stal gehaald, maar daarover een andere keer meer.
Overgenomen uit de Westlandsche Courant 5 oktober 2002
![]()
Uit: Het Koningrijk der Nederlanden,
voorgesteld in eene reeks beschrijvingen door J. L. Terwen, uitgegeven in 1858
(De tocht van dhr. J. L. Terwen begint in dit fragment in ’s-Gravenhage, letterlijk overgenomen)
Ten Z. W. van 's Gravenhage breidt zich dat gedeelte van Delfland uit hetwelk den naam van Westland draagt en gewoonlijk voor het vruchtbaarste gedeelte van Holland gehouden wordt. Het bevat verscheidene merkwaardige dorpen waarvan Naaldwijk het middelpunt is, de grond is bedekt met vruchtbare korenakkers, rijke weilanden en boomgaarden, die eene groote verscheidenheid van aard- en boom gewassen voortbrengen, vooral worden er vele en kostelijke druiven geteeld, die voor een groot gedeelte naar Engeland uitgevoerd en om hare voortreffelijkheid zeer hooggeschat worden. Wij zullen dezen aangename streek, voor wij onze reis naar Delft voortzetten, een kort bezoek geven.
Eerst komen wij langs den vermakelijken straatweg in de fraaije buurt Eikenduinen, uit eenige verwijderde boerenwoningen beslaande, doch in de oude tijden een aanzienlijk dorp, reeds in 1266 bekend, er stond oudtijds eene kapel en later eene vermaarde, door de geloovigen zeer druk bezochte kerk, die echter in 1580 is afgebrand en waarvan nog eenig muurwerk te zien is, de omliggende grond dient thans gedeeltelijk tot begraafplaats. De weg leidt ons van daar naar het schilderachtige Loosduinen, 1 uur van 's Gravenhage, te midden van fraaije buitenplaatsen en liefelijk bosschaadje aan eene druk bevaren gracht gelegen en waar men de schoonste veld. en duingezigten geniet. Het dorp bevat omtrent 2.000 inw., die meestal van warmoezierderij en landbouw leven, daar de grond deels uit zand en klei bestaat, van de duinen, waarin te dezer plaatse nu en dan pannen of vruchtbare plekken worden aangetroffen, worden jaarlijks nog gronden ontgonnen. De plaats is van zeer hoogen ouderdom, lang vóór 1224 stond hier eene kapel, graaf Floris IV stichtte er een aanzienlijk nonnenklooster, waarvan de bewoonsters naderhand om haar onbehoorlijk gedrag berucht waren, het werd in 1579 voor het grootste gedeelte afgebroken, blijvende alleen de kerk staan, die thans nog de herv. kerk is, deze oude kerk, welke met haren toren op een verheven, met hooge boom en bezet plein staat, werd echter in 1791 zoo zeer hersteld en veranderd, dat men haar nauwelijks meer voor het oude gebouw herkennen kan.
Zij is langwerpig vierkant, tamelijk ruim en hoog, zonder pilaren, met pannen gedekt en met een voortreffelijk orgel voorzien. In deze kerk werden lang de 2 bekkens bewaard, waarin de 365 kinderen zouden gedoopt zijn, die Machteld van Hennenberg, dochter van Floris IV, op eenmaal zou ter wereld gebragt hebben, onder de bekkens naast den predikstoel hing een bord, waarop dit gewaande wonder in het latijn en hollandsch uitvoerig beschreven stond. Ook de R. Kath. hebben hier eene in 1784 gebouwde kerk, zonder toren, maar met een fraai kerkhof. Er is te Loosduinen ook een Oude-Mannen-, Vrouwen- en Kinderen-Armhuis voor de hervormden. Onder de vroegere ridderlijke huizen van deze plaats telde men Westkamp, weleer een buiten goed van den vermaarden Oldenbarneveld, in 1760 gesloopt, Westerbeek, een zeer versterkt huis, in 1450 gesticht en nog gedeeltelijk aanwezig Hennen berg, het kasteel van Machteld, thans geheel verdwenen en Ockenburg, de vroegere woonplaats van den dichter J. Westerbaan, die dit lustoord zeer verfraaide en bezong het ligt ten W. van het dorp en beslaat eene oppervlakte van 2118 bunders. Één uur Z. W. van Loosduinen ligt het oude, maar schoone dorp Monster, met zijnen land- en tuinbouw, zijn lommerrijk geboomte en zijne fraaije landgoederen. In de kom van het dorp, waarin ruim 1.100 menschen wonen (de gemeente bevat er ruim 5.100). staat een vrij goed gemeentehuis en de ruime, zeer oude en bezienswaardige herv. kerk zij bestaat uit 5 nevens elkander gebouwde daken en heeft 2 rijen pilaren, een goed orgel en de begraafplaats van J. van Wassenaar en Cath. van Brederode heer en vrouw van Polanen. Aan het einde van het koor ziet men een wit marmeren gedenkteeken voor den zeeheld Pieterson, met nog een ander van blaauwen steen voor eenen zijner afstammelingen.
De toren is
tamelijk hoog, vierkant en zeer zwaar en oud, en het kerkhof is bevallig
aangelegd.
De R. K. kerk, in 1791 gesticht en in 1851 geheel vernieuwd, is een net en
regelmatig gebouw met toren en orgel en staat buiten het dorp naar den kant van
den Poeldijk, welk dorp, ten O. gelegen, met de niet onbelangrijke buurt
Quints-Heul tot de gemeente Monster behoort. Dit Poeldijk is geheel door tuinen
en schoone wijngaarden omgeven, wel bebouwd en goed bestraat en wordt reeds in
1198 gemeld. Er heeft in dit dorp nooit eene prot. kerkgemeente bestaan, de ruim
800 inw. zijn bijna allen katholiek en hebben hier eene in 1715 geslichte en in
1780 vergroote kerk, die misschien de fraaiste R. K. kerk van geheel Holland
is.
Bij Monster vindt men een boeren huis, dat den naam van Polanen draagt hier stond oudtijds het ridderlijke slot van dien naam, dat in 1358 door de Kabbeljaauwschen vernield werd, Johanna, de laatste afstammeling van dit aanzienlijk geslacht, huwde in 1404 met graaf Engelbrecht van Nassau en bragt al hare heerlijkheden, waaronder Monster, Breda, Geertruidenberg, enz. in het Huis van Nassau Op geringen afstand van Monster, ten W., vlak aan zee, ligt het arme visschersdorpje Ter-Heyde, oudtijds een welvarend dorp, dat veel verder westwaarts lag, maar door hooge vloeden en overstroomingen der zee bijna geheel verzwolgen is; de duinen zijn hier dan ook door het geweld des waters grootendeels weggeslagen, zoo dat hier volstrekt groote maatregelen moeten genomen worden, om geheel Delfland voor ondergang te behoeden.over.
De visscherij is er van weinig belang en de tegenwoordige herv. kerk is waarschijnlijk reeds de derde, die na het vergaan der beide eersten verder landwaarts in gebouwd is. Zij is in 1720 herbouwd, Vóór dit dorp was het, dat op 10 augustus 1655 de vermaarde zeeslag geleverd werd, waarin de groote M. R. Tromp sneuvelde.
Één half uur Z. van Monster treffen wij het merkwaardige 's Gravezande aan, vroeger eene deftige bemuurde stad, met poorten en eene haven in de Maas, die door verloop van tijd in land is veranderd. Vóór dat Koning Willem het Hofpaleis te 's Hage bouwde, was het de gewone verblijfplaats der graven, gelijk nog uit sommige namen blijkt en ook na dien tijd bleef het Hof alhier nog lang in stand wanneer dit hof vernield, of wanneer het dorp gesticht is, is geheel onzeker. Het tegenwoordige nog aanzienlijke dorp ligt te midden van de schoonste landelijke natuur tooneelen, bevat ruim 1.500 inw. en bestaat voornamelijk uit eene breede straat, zeer goed geplaveid, aan weerszijden bebouwd en met boomen beplant. Bijna aan het einde dier straat staat de herv. kerk, bij een ruim plein, waarop eenige rijen boomen staan, waar langs eene vaart loopt en dat het marktplein genoemd wordt. Op dit plein vindt men het antieke Gemeentehuis, thans nog door de bewoners het Stadhuis genoemd. De overoude, zeer ruime en schoone kerk prijkte met eenen zeer hoogen, fraaijen toren, die tot baken in zee diende maar op den 3 mei 1809 stortte deze toren in en beschadigde de kerk zoo zeer, dat zij geheel onbruikbaar werd alleen het koor werd nog eenigen tijd voor de godsdienstoefening gebezigd, tot dat in 1815 en 1816 eene nieuwe kerk werd gesticht, die wel klein, maar fraai en met eenen toren midden op den koepel voorzien is, in 1818 kreeg zij een kostbaar orgel.
Het landelijke 's Gravezande bezat weleer nog vele andere merk waardigheden en aanzienlijke buitenplaatsen, die meest allen gesloopt en waarvan de namen nog alleen in die van boerderijen en tuinen overig zijn. Ten Z. van het dorp liggen de beide vruchtbare polders van Zand-Ambacht, waarin heerlijke witte tarwe, uitmuntend vlas, ooft en aardappelen geteeld worden. Zij strekken zich tot aan de Maas uit en eindigen in den Hoek van Holland, de zuid- westelijkste punt der provincie, aan den mond' der rivier, men vindt daar zware zeewerken, dewijl de duinen in deze streek bijna geheel weggeslagen zijn. Meer oostwaarts ligt nog eene woeste plek gronds met hooge duinen, Staalduinen genaamd, die echter weldra in vruchtbaar land veranderd zijn zal. In het verloopen jaar toch heeft Jhr. A. J. A. van Rijckevorsel hier eene groote sluis in den Maasdijk doen leggen, niet ver van de Oranjesluis en een kanaal uit het duin doen graven, om bij de begonnen afgraving tot het vervoeren van het zand te dienen.
Van 's Gravezande komt men langs eenen fraaijen grindweg voorbij de buitenplaats Ouwendijk in het beroemde dorp Naaldwijk, de hoofdplaats van het Westland, 2,5 uren Z. W. van 's Hage en 2 uren W. van Delft. Het dorp ligt op eenen zandigen, vrij hoogen grond en bevat met de onder hoorigheden ruim 5.600 inw. waarvan er ruim 1.700 in de kom wonen en die voor het grootste deel van de tuinderij en den landbouw leven, zijnde de tuingronden hier buitengewoon vruchtbaar en daarom ook zeer duur. Ontzettend zijn de hoeveelheden aardappelen, druiven, aalbessen, perziken, pruimen, abrikozen, appelen, peren enz., die van hier allerwegen, vooral ook naar Engeland, worden uitgevoerd en voor deze streek eene ware goudmijn zijn. De tijd der stichting is onbekend, wordende het dorp eerst in 1195 gemeld. Het is echter ontwijfelbaar zeker, dat het veel ouder is, zelfs heeft men weleer tusschen dit dorp en Monster eenen romeinschen grenspaal opgedolven, opgerigt in 163 na C. ter eere van keizer Marcus Aurelius en van een opschrift voorzien, uit welk een en ander blijkt, dat deze streek reeds door de Romeinen bewoond was. Na de 15de eeuw spelen de heeren van Naaldwijk eene niet onbelangrijke rol in onze geschiedenis. Zij voerden den titel van maarschalk van Holland en stierven in 1600 uit, onder hen is vooral Jan van Naaldwijk, een der laatste aanvoerders der hoeksche partij en een groot krijgsoverste, beroemd. De heerlijkheid werd in 1612 door prins Frederik Hendrik gekocht, kwam in 1752 in handen van den koning van Pruisen, doch ging in 1754 wederom in het huis van Oranje over, eindelijk werd zij in 1802 door het Bataafsch Gemeenebest voor 4 millioen gulden van prins Willem V overgenomen.
De kom van het dorp wordt gevormd door een groot, ruim, met boomen beplant plein, van alle zijden door vrij goede gebouwen omringd. Daar staat het Raadhuis der gemeente, een vrij hoog, groot en antiek gebouw, met bezienswaardig hardsteenwerk in den gevel en een wezentlijk sieraad van het dorpsplein het heeft een klein torentje met eene bel. Voorts de sierlijke Herv. Kerk, een ruim, hecht en vooral van binnen fraai godshuis, dat alle kenmerken van hooge oudheid draagt. Zij is uitgebouwd met 2 kruisdaken. rust op 8 zware pilaren, en heeft midden op het dak eenen kleinen toren. Zij is 52.75 el lang en 29.5 el breed, bezit een uitmuntend fraai orgel, in 1831 ingewijd, en een schoon marmeren grafteeken voor de familie van den heer A. Douglas, voormalig baljuw en schout van Naaldwijk, het koor wordt door een fraai antiek koperen hek van het ruim afgesloten. De groote toren van middelmatige hoogte heeft een goed uurwerk en 2 klokken, waarvan de grootste 5.000 oude ponden weegt en in 1472 opgehangen is. De R. K. kerk, mede in de kom, is in 1790 gesticht en een zeer fraai gebouw met eenen in 1828 gebouwd en toren, waarin een uurwerk en 2 klokken en met een bijzonder schoon orgel. Er is in het dorp ook eene synagoge, in 1807 ingerigt, en oorspronkelijk eene oude kapel, die vroeger tot tweede herv. kerk diende. Zij staat bij het Oude Mannenhuis, dat in 21 huisjes of woningen verdeeld is, waarin arme oude mannen en vrouwen onderhouden werden, dit werd na 1426 gesticht voor 5 mannen, doch door Frederik Hendrik tot op de tegenwoordige grootte gebragt, de bewoners genieten er thans nog altijd kosteloos huisvesting. Naast de herv. kerk staat de in 1825 gebouwde, uitmuntend ingerigte dorpsschool, die door meer dan 500 leerlingen bezocht wordt. Voorheen telde men bij het dorp aanzienlijke riddersloten en buitenplaatsen, zoo als de Woert of Hooge- Woert, de Lage-Woert of Duiventoren, Patijnenburg, eenmaal het sieraad van het dorp, doch in 1799 geslecht, en Endeldijk, waarvan de laatste alleen nog in wezen, doch van geringe beteekenis is.
Even ten N. van Naaldwijk ligt de eertijds vermaarde en aanzienlijke buurt Hondsholredijk, die sedert onheugelijke jaren met Naaldwijk vereenigd is geweest en haren naam van het oude kasteel Hunsel of Honsel ontvangen heeft, zij is misschien nog ouder dan Naaldwijk en bevat ruim 1.000 inw., in deze buurt staat een fraai gelegen logement, waarin vroeger het departement der Maatsch. tot Nut v. 't Alg., onder den naam van Dep. der Westlandsche dorpen, zijne vergaderingen hield. Hier stond mede vroeger het aanzienlijke Huis van Hondsholredijk, dat eerst door de Heeren van Hunsel, in de 14de eeuw door die van Voorne en na 1337 door die van Naaldwijk bewoond werd. Het werd in 1612 door prins Frederik Hendrik gekocht, die het in 1629 geheel deed herbouwen en tot eene alleraangenaamste vorstelijke verblijfplaats liet inrigten, het werd echter weinig door de prinsen bezocht, in 1795 tot nationaal eigendom verklaard, diende vervolgens tot staatsgevangenis, nog later tot hospitaal en tot kweekschool voor de zeevaart, werd in 1814 voor afbraak verkocht en 2 jaren later grootendeels gesloopt, in een gedeelte van het overgeblevene Hof, een langwerpig gebouw. dat thans door burgerhuisgezinnen bewoond wordt, is in 1850 de dorpsschool overgebragt.
Ruim 1 uur N. 0 van Naaldwijk ligt Wateringen, een fraai en wel bebouwd dorp, aan eene midden door het dorp loopende wetering, waarover veel bruggen liggen. Het heeft ruim 1.600 inw. die van tuinderij, landbouw en veenderij leven, er is ook 1 scheepstimmerwerf, 2 koren- en 1 houtzaagmolen. Aan het groote, ruime, met boomen beplante dorpsplein staat het in 1828 gestichte fraaije dorps- of gemeentehuis en de Herv. Kerk. die niet groot is, maar met eenen prachtigen predikstoel prijkt, afkomstig uit de vervallen kapel te Hondsholredijk, de toren is tamelijk hoog, heeft eenen omloop, eene achtkante spits, een uurwerk en heldere klokken. De R. K. kerk is in 1807 gebouwd, maar te klein voor de gemeente, er is ook een R. K. Armhuis. het oude adellijke Huis van Wateringen is in 1575 afgebrand, thans ligt nog op de plaats eene bouwmanswoning. het Hof genaamd. Van dit dorp keeren wij van ons uitstapje in het Westland terug en begeven wij ons naar het bevallige Rijswijk.
Rijswijk ligt slechts een 1 uur Z. W. van Voorburg en even zoo ver Z. O. van 's Gravenhage, aan den schoonen en fraai beplanten straatweg, die van daar naar Delft loopt, het is een bijzonder aangenaam gelegen dorp, daar het door heerlijke weilanden, verscheidene graanvelden, fraaije wandelpaden en rijwegen en vele prachtige lusthoven omringd wordt, terwijl de Delftsche Vliet of trekvaart naar de hofstad op geringen afstand loopt. De plaats wordt dan ook veel door wandelaars bezocht en dit draagt niet weinig tot de welvaart der bewoners bij. Het dorp bestaat uit eene digt bebouwde, met goede huizen bezette straat en bevat ongeveer 2.400 inw., die meest in den landbouw hun bestaan vinden, ofschoon men er ook 1 papier fabriek, 1 koren-, tras- en 4 snuifmolens aantreft. Het geslacht der Heeren van Rijswijk wordt reeds in 1083 genoemd.
De Herv. kerk is vrij groot en heeft eenen vierkanten toren met twee klokken, een met een fraai hek afgesloten koor en een goed orgel, de tijd harer stichting is onbekend. De R. K. kerk, in 1784 opgerigt, is een fraai gebouw met eenen kleinen toren en een. uitmuntend orgel. Vroeger stond hier het Huis-te-Rijswijk, of liever het Huis-ter-Nieuwburg, in 1634 door prins Frederik Hendrik gesticht, het was een zeer aanzienlijk en prachtig gebouw en is vermaard geworden door den vrede, die hier op den 20 sept. 1697 geteekend werd, in 1783 werd het echter geheel afgebroken en op den grond een bosch aangelegd, terwijl het gebouw in 1792 vervangen werd door eene steen en gedenknaald met toepasselijke opschriften en lofwerk, die door de kunstkenners voor een meesterstuk van bouworde en uitvoering wordt gehouden. De plaats in het rond is een aangenaam, wel beplant wandelperk, doorsneden met bevallige lanen en wandeldreven, en met twee vischrijke vijvers.
De landstreek ten O. van Delft is zeer laag en bestaat voornamelijk uit veengronden, die voor een groot gedeelte uitgeveend zijn, waardoor nergens in ons vaderland meer veenplassen werden gevonden, dan hier, in de laatste veertig jaren zijn echter een groot gedeelte, dezer plassen ingedijkt en droog gemalen, waardoor aanzienlijke polders aan de veeteelt en den landbouw terug gegeven zijn. De dorpen dezer streek zijn dan ook niet groot of belangrijk, en sommigen zijn alleen gehuchten. De beide voornaamsten zijn Nootdorp, ruim 1 uur N. O. van Delft, aan eenen kruisweg gelegen, met 2 kerken en ruim 430 inw., en Pijnacker, 1,4 uur O. van Delft, door schoone weilanden omringd, door goede wegen doorsneden en aan eene ruime vaart. Dit dorp telt verscheidene fraaije huizen, is over het geheel vrij wel bebouwd, en bevat met de onderhoorigheden omtrent 1.400 inw., die van veeteelt, landbouw en veenderij leven. De kerk is zeer oud, maar ruim en luchtig het dak rust op 10 geheele en 4 halve pilaren, en de predikstoel is bijzonder fraai, zij heeft voorts een in 1830 geplaatst orgel en een en tamelijk hoogen toren, met uur. en slagwerk en eene vrij zware klok. De R. K. kerk is een schoon gebouw, maar zonder toren. Behalve beide genoemde dorpen heeft men nog Vrijen Ban, Ruiven, Delfgaauw en Klein-Delfgaauw, Biesland, Nieuweveen, Hoogeveen, Katwijk, van welken niets bijzonders te zeggen is.
Wenden wij ons uit Delft zuidwaarts, om ons naar den Maaskant te begeven, dan komen wij eerst door de gemeente Hof van Delft, bestaande uit onderscheide: 1e polders, het gehucht den Hoorn, de buurt Abtswoude (de geboorteplaats van den dichter H. K. Poot en ook Paapsou geheeten) en het kleine dorp Woud, 1 uur Z. W. van de stad, met slechts een achttal huizen in de kom. Een weinig verder treffen wij het dorp Schipluiden aan, met omtrent 600 inw. het was reeds in 900 onder den naam van Scheepleda bekend en is ruim, luchtig en ter wederzijde van de vaart gebouwd, waarover twee bruggen liggen, de huizen zijn doorgaans goede en wel onderhouden gebouwen, de kerk was reeds in 1513 aanwezig, is langwerpig vierkant, tamelijk hoog, zonder pilaren en heeft in het koor een zeer schoon kunststuk ter gedachtenis van den heer W. H. Steenberch (overl. 1788). Het dorp heeft waarschijnlijk zijnen naam van het water de Lee of Leede, dat uit het Westland komt, en waaraan ook het dorp de Lier, 1 uur O. van Naaldwijk, gelegen is en zijnen naam ontleent. Dit laatst genoemde, niet zeer druk bezochte dorp telt ongeveer 800 inw., bestaat voornamelijk van land- en vlasbouw en heeft eene onaanzienlijke kleine kom, de kerk is echter groot en een op pilaren rustend gebouw, zonder orgel, maar met een en zwaren breeden en hoogen toren, die oudtijds nog veel hooger was.
Ten Z. van Schipluiden ligt het oude, fraaije en welbebouwde dorp Maasland, aan het water de Gaag, dat uitloopt in de trekvaart, die van Maassluis en Vlaardingen naar Delft gaat. Reeds in 866 wordt dit dorp genoemd, zelfs spreken de oude kronijken onzes lands van een graafschap Maasland, waarvan men echter niet veel bijzonders weet en dat naderhand met Holland vereenigd schijnt te zijn. Het dorp bevat met de buurt Burgersdijk en onderhoorige polders ongeveer 2.000 inw., die meest van landbouw en veeteelt bestaan, is goed bestraat en heeft ter wederzijde der Gaag vrij goede gebouwen, er is ook 1 olie, 1 houtzaag-, 1 run- en pelmolen, en 1 traan- kokerij, welke 5 laatsten echter aan Maassluis behooren. De Herv. Kerk, die van 1241 tot 1654 aan de Duitsche orde behoorde, is zeer groot en fraai, tamelijk hoog, met eene rij pilaren, een uitmuntend, in 1725 geplaatst orgel, en een bijzonder groot koor, waarin het H. Avondmaal gehouden wordt en dat fraai geschilderde glazen heeft, de toren heeft eene sierlijke met leijen gedekte spits en is van een uurwerk en 2 klokken voorzien. Het oude kerkhof is mede net bestraat, door eenen muur, de pastorij, het dorpshuis en het in 1841 nieuw gebouwde fraaije schoolhuis omringd en met 2 ijzeren hekken afgesloten. De R. K. kerk, even buiten het dorp en geheel afzonderlijk staande, is zeer net, heeft eenen spitsen toren en een uitmuntend orgel. Van de vroegere hier staande oude sloten de Hoeve en het Huis te Velde is niets dan de naam overgebleven. Ook de laatste buitenplaats, aan den maaskant en Noord-Nieuwland genaamd, is sedert 2 jaren gesloopt.
Eene wandeling van 1 uur brengt ons in het jonge, eenmaal bloeijende thans zeer verminderde Maassluis, bij en op den Maasdijk gelegen en van alle zijden door de gemeente Maasland omringd. Gelijk de naam aanduidt, heeft zij haren oorsprong ontleend aan eene of meer sluizen, die ter uit Watering van Maasland in den dijk gelegd waren, langzamerhand ontstond daarbij eene kleine buurt, die door de overvaart op Brielle, de visscherij en andere oorzaken, reeds op het einde der 16d. eeuw tot een vrij aanzienlijk dorp aangegroeid was, zoo dat het in het midden der 18d. eeuw voor het grootste, fraaiste en welvarendste dorp van Zuid-Holland doorging en door Hoogvliet "der dorpen koningin" genoemd werd.
Tot de opkomst der plaats droeg veel bij dat hier na het innemen van Brielle in 1572 buitendijks eene vrij sterke schans werd gelegd, die echter reeds één jaar later door Romero werd ingenomen, bij welke gelegenheid Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, gevangen geraakte. In 1614 kreeg het dorp een afzonderlijk regtsgebied en 13 jaren later begon men op den grond der vooraf geslechte schans de schoone en groote kruiskerk te bouwen, die wel naar het voorbeeld der Noorderkerk te Amsterdam is ingerigt, maar deze in netheid en fraaiheid overtreft. Zij prijkt met eenen hoogen sierlijken toren, die in eene achtkante spits met een doorluchtig koepel torentje eindigt en van omgangen, uurwijzers en slagklokken voorzien is. In de kerk vindt men een geschilderd houten bord, door de visscherij geschonken, waarop zee- en riviergezigten en verscheidene visschen zijn afgemaald, daarenboven bezit zij een prachtig orgel, door den edelen Govert van Wijn in 1752 geschonken. die in vele andere opzigten de weldoener zijner woonplaats geworden is, het mag onder de beste orgels van ons vaderland geteld worden en is uitwendig met zeer schoone sieraden en toepasselijke bijschriften voorzien.
Tot omstreeks het jaar 1795 genoot Maassluis eene groote welvaart door den bloei der visscherij, waarop de bewoners zich met ijver toelegden, zij bezaten een aanzienlijk aantal haringbuizen en dreven vooral veel handel in kabeljaauw, die zij meestal bij IJsland gingen vangen en deels levend, deels als zoutevisch ter markt bragten. Na gemeld jaar echter was het met den bloei der plaats gedaan, en ofschoon zij in 1811 tot stad verheven werd, is zij steeds in welvaart en bevolking verminderd, zoo dat er thans veel armoede heerscht, in 1796 telde zij 4.800 zielen en stond dus bijna met Vlaardingen gelijk in 1830 had zij nog 4.434 inw. thans is dit getal tot 3.860 gedaald, daaronder bevinden zich 3.280 herv., 480 R. kath., 80 Israëlieten en 20 lutherschen. De middelen van bestaan zijn gedeeltelijk nog haring en kabeljaauwvisscherij en scheepvaart, met wat daartoe behoort, maar thans zijn slechts 7 schepen ter haringvangst uitgevaren (in 1845 nog 13). Voorts vindt men er 5 scheepstimmerwerven, ééne voor groote zeeschepen, de tweede voor visch- en haringschepen, de derde voor schuiten en pramen, 1 zeilmakerij, 1 taanderij, 1 touwslagerij, 1 looijerij, 1 bierbrouwerij, enz., er is ook nog eene zalmvangst en in de laatste jaren heeft de schelpenvisscherij aan vele visschers brood verschaft, terwijl door de verbetering der rivier de Maas het getal schepen, dat langs deze stad naar zee zeilt (in 1857 reeds omtrent 1200), aanmerkelijk toeneemt, en aan velen goede verdiensten aanbrengt.
De plaats zelve doet zich niet onbevallig voor, ofschoon de teekenen van verval zich hier en daar duidelijk laten bespeuren. Zij ligt gedeeltelijk aan den dijk, die de Hoogstraat vormt, binnendijks heeft zij 2 vlieten of grachten, ter wederzijde met huizen bebouwd en waar tusschen het marktplein ligt, de Noordvliet is aan de eene zijde met boomen beplant en heeft gemeenschap met den dijk door een en zeer breeden, hoogen steenen trap met ijzeren leuning, een geschenk van Van Wijn. Het gezigt, dat men hier van den dijk ter wederzijde heeft, is bij uitstek fraai te noemen, daar het zich aan de eene zijde over de geheele vliet en aan de andere over de Schans, de haven kom en de haven uitstrekt. Er is nog eene derde, maar onbebouwde vliet, die tot de Boonersluis, 1/4 uurs O. van de stad, behoort. met eene kleine haven, doch die ligt op Maaslands grondgebied, deze sluis is in 1858 vernieuwd. Buitendijks heeft de stad eene schoone lange haven naar de Maas, die tot uitwatering van Delfland strekt, zij wordt door 2 spuijen, die in eene groote kom aan den dijk zamenkomen, diep en schoon gehouden.
Aan het einde der haven, die aan de Oostzijde tot op de helft der lengte met fraaije gebouwen bezet is, is een zwaar hoofd in het Scheur aan gebragt, met eene lantaarn voor de schepen en daarnevens ziet men eenen grooten vijver, waarin de prikken, het aas der kabeljaauwen, worden levend gehouden. Bovendien zijn er nog onderscheidene straten, de huizen zijn net en zindelijk gebouwd, sommigen zijn zelfs zeer aanzienlijk en de inwendige inrigting overtreft nog dikwijls de uitwendige. Tot de voornaamste gebouwen behooren behalve reeds gemelde Groote Kerk, de Kleine of Oude Kerk op de Hoogstraat, met een eenvoudig torentje en eene galerij, maar zonder orgel, onder deze kerk is eene bijzondere school, wier ingang benedendijks bij den steenen trap is en die toch eene aanmerkelijke hoogte heeft. Voorts: de R. K. kerk, de Synagoge, het Stadhuis, het Gemeenelandshuis, beiden op den Dijk, met een fraai uitzigt aan de achterzijde op de haven, het Weeshuis op de Noordvliet, een ruim en bezienswaardig gebouw, met vrij aanzienlijke inkomsten en eigene school, enz.
![]()
Twee dagen uit het leven van een onderduiker.
‘Bereids was
de waakzaamheid in de stad weer aanzienlijk verslapt, reden voor het Bruine
Monster om langzamerhand zich op de dag voor te bereiden’.
Het huis aan het
Jaagpad waar Jan Kousemaker zich onder de vloer schuilhield.
"In mijn
schuilplaats, 9 dec. ‘44"
"Dit
etiket en deze letters heb ik in volslagen duisternis geschreven, liggende onder
de grond - d.w.z. de vloer van een kamer, weggescholen voor speurende Moffen die
in deze vierde oorlogswinter uit zijn op ‘mannenroof’.
Reeds eerder was dit het geval te Rotterdam en Den Haag nadat vele andere plaatsen in het Oosten van het land waren ontmand. Reeds enkele weken van te voren was er ook voor Delft een radioboodschap gekomen dat er in deze plaats razzia’s verwacht moesten worden en dat uiterste voorzichtigheid derhalve geboden was. Sindsdien is er een overval in Den Haag geweest en zijn wij er de machteloze getuigen van geweest hoe tientallen Rijnaken op sleep langs dit huis aan het Jaagpad (no. 72) kwamen, waar ik Jan Kousemaker, oud 34 jaar, geboren te ‘s Heer Arendskerke, Zeeland, met mijn vrouw Wilhelmina Joh. Phil. Van der Wart en twee dochters woon.
Geruststellend
De
aanblik van deze transporten was dermate schokkend dat mijn aanvankelijk
voornemen: ‘Ik laat me niet levend door die schurken vangen’ er slechts door
versterkt kon worden. Bereids was de waakzaamheid in deze stad weer aanzienlijk
verslapt, reden voor het Bruine Monster om langzamerhand zich op de dag voor te
bereiden.
Gisterenavond bracht de Delftsche Courant - een blaadje wat je vanwege de papierschaarste met twee uitgespreide handen vrijwel kunt bedekken - het geruststellende bericht dat er géén mannen meer gezocht werden in verband met de actie in Den Haag op de zoveelste november. En pas dan op! Ik heb er niets van tegen Willy gezegd om haar niet nodeloos te alarmeren maar mijn argwaan was gewekt.
Reeds geruime tijd had ik onder de vloer van de badkamer, die met linoleum is bedekt en dus gemakkelijk is op te nemen, een luik laten maken en daar deze schuilplaats me niet aanstond heb ik zelf, op mijn zij liggende, met moeizame arbeid die me menige zweetdroppel heeft gekost, bij kaarslicht een weg gehakt door de fundering heen onder de vloer van een andere kwamen, de kleine voorkamer, waar Anke Nora slaapt, en op die plek lig ik dit nu te schrijven.
In mijn linkerhand houd ik een handdynamo, in mijn rechter dit anilinie-potlood. Bij het begin van een nieuwe regel doe ik de ‘knijpkat’ een keer aan om twee of drie letters te schrijven. In mijn schuilplaats heb ik een matras, kussen en enkele dekens, want het is hier braaf koud en telkens zie ik mijn ‘adem’ in het electrische lantaarntje, een fles mineraalwater of spuitwater wat zeer lang houdbaar is, een waxinelichtje, een tabakspot met inlands-geteelde tabak (een ons kost acht gulden, dat is evenveel als vóór de oorlog 6½ pond boter!) van inferieure kwaliteit en wat dun schrijfmachine-papier waarvan ik reepjes scheur om er sigaretten van te draaien. Ik heb er twee op. Bovendien heb ik hier nog enkele scheepskaken of -beschuiten in geval van ‘nood’. Deze dateren nog van 1940.
Uiteraard is het hier aardedonker maar zeer houdbaar. Er is meer dan voldoende ventilatie. Zelfs zo, dat ik mijn eerste sigaret gedurende enige tijd bij het waxinetje gerookt heb om te zien welke kant de rook op trok om eventuele gaten te dichten.
Langdurig
gebel
Laat
ik thans verhalen hoe ik hierin gekomen ben. Vanmorgen, toen het nog amper dag
begon te worden, weren mijn vrouw en ik ineens opgeschrikt door een langdurig
gebel aan de voordeur. Ik geloof dat we bij het eerste schellen beide
ontwaakten. Tegelijkertijd sprongen we het bed uit en handelden volgens het
programma wat we allang hadden opgemaakt! Ik lag namelijk half gekleed te bed,
zonder pyjama, maar met een trui en lange onderbroek. Op de stoel naast mijn bed
hing alleen een bovenbroek. Op de grond stonden pantoffels.
In mijn haast snelde ik echter eerst naar het luik in de aangrenzende badkamer. Onderwijl stond de Rot Mof maar de ‘beieren’. Nog snel mijn broek aan. Enkel met de haak dicht en nog juist kon ik mijn vrouw waarschuwen: denk erom dat mijn pantoffels er nog staan. Het verdwijnen ging zeer gezwind en om eens een term te bezigen uit Wehrmachtsberichten van de laatste jaren ‘volgens de plannen’.
Terwijl ik onder de vloeren door kikkerde, mijn gat doorkroop in de houding van een kind dat geboren wordt, hoorde ik mijn vrouw met de Mof spreken: "Weshalb nicht ? Erst mal etwas anziehen". Wat de Edelgermaan in het midden te brengen had, is me ontgaan omdat de kerel buiten stond. Ik wil eerlijk vertellen dat mijn hartje sneller tikte, omdat je nooit weet in hoeverre een schuilplaats ‘German-proof’ zal zijn. Ik was niet beangst of bevreesd, maar wel een beetje zenuwachtig en benieuwd in hoeverre het allemaal lukken zou. Ik heb toen gebeden, niet omdat nood leert bidden, maar omdat ik als kind reeds heb leren bidden en het steeds heb gedaan hoewel niet altoos even trouw en rechtgelovig.
Ik bad het volgende: "Mijn barmhartige Vader die in de Hemelen zijt, ik roep U aan op dit ogenblik, bedreigd door de grijpende klauwen van onze onderdrukkers. In alle tijden zijt Gij geweest een hulp van vervolgden en onderdrukten die zich listig aan een boosaardig vijand onttrokken. Thans is het mijn beurt. Vader ik roep U aan vanuit deze schuilplaats. Bestier alle dingen op mijn bede dusdanig, dat niet alleen ikzelf, maar alle mannen hier uit ons huizenblok onvindbaar blijven voor de zoekende vijanden. (...) Onze Vader, geef ons en onze bondgenoten een - indien het zijn kan - snelle en algehele overwinning. Bezield daartoe de mannen die voor ons strijden met ongekende moed. (...) Hoor mij naar de Grootheid van Uw genade. Uw naam tot eer, Amen".
Rustig
Na dit
gebed was ik volkomen rustig en wachtte op de dingen die komen konden.
Voorshands speelden mijn beide dochtertjes in ‘t kamertje boven mijn hoofd en
maakten een heftig lawaai. Ieder gesproken woord was duidelijk waarneembaar,
zodat de 5-jarige Anke Nora mij onwetend precies op de hoogte hield van de
Moffenpatrouilles die zich over het Jaagpad en de Haagweg aan de overkant van
het water, bewogen. Het bleek me dat de Moffen huis aan huis brieven hadden
afgegeven waarin mannen van 17 tot 40 gelast werden zich op straat te begeven.
Bij het achterhek van de artillerie inrichtingen stond een groepje van deze Eikenloofhelden. Ook aan de overkant bij de splitsing Haagweg-Broekmolenweg. Inmiddels speelden de kinderen verstoppertje. Ze waren pappie en weggekropen. Anke verzon een schuilkelder onder de ledikanten !
Dat is niet
zo fraai.
Dan
zegt ze, dat Pappie naar het Woud is (een gehucht in de buurt waar ik nogal eens
melk en boter haalde). Inmiddels kreeg ik bijzondere last van mijn urine die ik
na de slaap ook al niet kwijt gekund had. Daarvoor had ik geen voorzieningen
getroffen. Goede raad is duur. Ik ben naar een hoek van de schuilkelder gekropen
en heb die plek waar een ondiepte bleek te zijn in de opgestreken betonlaag van
de bodem gepromoveerd tot waterplaats. (...)
Ondertussen heeft mijn vrouw het luik in de badkamer opgetild en er een pakje brood ingelegd. Ik ben erheen gesalamanderd. (Er naar toe gekropen, red.) Straks zal ik wel eens eten, dacht ik en dat papier kan mooi dienst doen als ik last krijg van mijn ontlasting want dat houd ik ook geen uur meer vol. Dan komt Willy met de mededeling (de kinderen zijn in de huiskamer) dat de huiszoeking aan de andere kant van het blok is begonnen. Ik heb al enkele malen gevraagd of het ‘Grüne Polizei’ is of gewone soldaten. Ze kan nu ontwaren dat het een gezelschap is, bestaande uit een mengsel van dat lekkers - als ik nu maar niet moet niezen of hoesten, want ik begin sinds gisterenavond ferm verkouden te worden.
Wil staat nu voor het raam en doet verslag. De huiszoeking is blijkbaar een formaliteit want het komt snel nader. Ze hebben echter nog niemand. Dat geeft moed. Daar komen ze hoor en Wil gaat weg. Ik hoor de bel bij Tip, bij Schot, bij ons. Op dit moment, nu ik dit schrijf, wordt er een rocket-bom (V-2) opgelaten die weer eens weigert en hier in de buurt explodeert.
Ik hoor mannenstemmen, soldatenlaarzen met het zware ijzerbeslag. (...)
Ik bevind
me bijzonder kalm.
Er
wordt nogal wat gesproken. De Moffen gaan naar de huiskamer. Die Wil is een oude
raker! Ze heeft nota bene die Mof er aan gezet om een kinderledikantje van mijn
jongste, die zware bronchitis heeft, naar de huiskamer te dragen. (...) Later
vertelt Wil me dat ze zeer geschikt waren.
Er was een gewoon soldaat bij die de laagheid bestond om aan Anke te vragen. "Wo ist dann dein Pappie". Wat een ongelooflijk laag wezen moet je toch geworden zijn om een meisje van 5 jaar, die Goddank antwoordde ‘dat weet ik niet’, zo’n doortrapt gemene vraag te stellen! (...) Wil heeft ze wijs gemaakt dat ik natuurlijk al lang en breed naar Den Haag was. Inderdaad ook een van de plannen om achter de stofkam enige veiligheid te zoeken. (...)
Willy weer aan het venster staande en het Herrenvolk weer de deur uit zijnde, wist te berichten, dat ze 1 persoon hadden. Aanvankelijk kende ze hem niet, zo doodsbleek zag hij. Later werd ze gewaar dat het de 17-jarige Tom was! Die had zich natuurlijk van zijn vader niet mogen verstoppen omdat Papa bang is voor tegenmaatregelen waardoor hijzelf de dupe zou kunnen zijn. (...)
Als het 10 uur is geworden komen de geruchten (het luik gaat nog eens open en ik krijg een metalen kinderpotje. Mijn ontlasting heb ik ook moeten doen in de meest ondenkbare houding namelijk op mijn knieën.
Ik heb de
opbrengst plechtig begraven onder een bergje cementstof. (...)
De
geruchten zijn: op de terreinen van der As ca. 70 man gepakt waaronder de heer
Heukers, chef instrumentenmaker op de Kleiweg; een vluchteling aan- of
neergeschoten, op ‘t hele Jaagpad 4 gegrepen plus Tom is 5. Bij Knotnerus alles
omvergehaald. De hele linnenkast etc. etc. Zelfs onder het luik van de gasmeter
gekeken! Jan Knotnerus niet gevonden.
Waxinetje
Zoeven
- ‘t is ca. Half 3 - kreeg ik van Wil een maaltje pap, lekker! Al is er dan geen
suiker meer in. Bij de terugreis van het luik naar het leger (bed, red.) begaf
plotseling het lampje van de knijpkat dienst. Ik schrijf dit nu even bij ‘t
licht van het waxinetje en doe dat dan weer gauw uit, want licht is haast nog
kostbaarder dan eten.
Ik heb omstreeks elf uur koffie gehad. Ik vind het lekker, maar ben bang vanwege de konsekwenties. Ik heb nu wel een pot, maar het zal een toer zijn om er wat in te deponeren. Omstreeks 5 uur ben ik in de aan de badkamer grenzende slaapkamer geweest om te eten. Deur dicht vanwege de kinderen.
Teruggaande heb ik nog gauw van het nachtkastje meegegrist: Herrig-Förster: ‘British Classical Authors’ en las daarin Joh. Swift. (...) Wil komt me vertellen dat ze ook de fietsen-schuurtjes achter onderzocht hebben. In onze tuin zijn ze niet geweest. Ik heb een stukje gelezen onder het genot van mijn derde sigaret. Ik ga nu mijn vierde nemen. (...)
Het zal op ‘t ogenblik 3 uur zijn. Ik ben nu bij met mijn relaas aan de tijd. Thans volgen dus enkele losse notities voor zover er nog iets te vermeldden is. Dit opschrijven was een genot. De tijd vloog om ! (...)
Honderden
Ik ben
bang dat ze er in Delft toch nog honderden gevat hebben. Fabrieksarbeiders die
naar hun werk gingen toen het nog donker was. Anke loopt boven mijn hoofd te
zingen. Ik hoor een buurman door een muur heen breken, waarschijnlijk Piet.
Het is nu volslagen duisternis. Vanmiddag achterlangs naar buurman Arie Krijff gegaan die bovenhuis bewoont. Op ‘t balkon geklauterd. Samen zitten praten. Verroest koud. Hier beter. (...) Om 8 uur naar bed, omdat we zo weinig kaarsen hebben. Van 8 tot 10 samen met Wil in bed gelegen. Lekker warm geworden. Was tot op mijn gebeente koud na ‘t bezoek bij Arie. Samen liggen praten, anders niets. Erg gealarmeerd. Bij ieder geluid spits je de oren. Einde van 9 december Welterusten.
10 December
Anke
heeft geroepen om een plas te doen. Ik werd er wakker van en hoorde ‘t
gevalletje precies boven mijn hoofd. (...) Sindsdien kan ik niet meer slapen.
Heb nog een boterham gegeten. Het leger is hard en ongemakkelijk. Er is
aanmerkelijk meer toch dan overdag. Ook een slokje spuiwater gedronken. (...)
Dit opgeschreven. Als ik zo weinig slaap kruip ik morgen lekker in Wil d’r bed,
laat het luik openstaan.
Het is inmiddels 4 uur. Alles doodstil natuurlijk. Had hier ook niet hoeven te liggen, maar Arie is ook in ‘de tent’ en Wil heeft mijn bed verschoond. Bij eventuele controle is het kennelijk onbeslapen. Gisteren tussen 6-9 uur diverse treinen zien passeren. Duitse dus, want er is immers spoorwegstaking, richting Den Haag. Vermoedelijk afvoer van de jachtbuit der Moffen! Kunnen gaan graven in Ruhrgebied. Uit Delft zelf kwam nog geen enkel bericht door. Vrijdag zag Arie Krijff - momenteel passeert er een trein - 4.15 - lange personentreinen te Delft arriveren. Gestolen Hollandse wagons.
De trein van 4.15 uur bleek een hakke-puf bootje door de Vliet te zijn. Sorry.
Nog een sigaretje en ik zal weer proberen te slapen.
Vanmorgen ca. 7.15 uur soldatenlaarzen menen te horen. Eenmaal heen en terug. Blijkbaar niets bijzonders".
Uit: Westlandsche Courant Zaterdag 26 november
1994
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Kwartierstaat over geslacht Van Zijl.
Hele Westland
is familie van elkaar.
De Schaapweimolen uit 1826 in de Hoekpolder. De eerste molenaar was pater Van Zijls’ overgrootvader Cors van Zijl. Voor hem, vanaf 1637, bedienden vele generaties van het geslacht diverse molens in West-Delfland.
Westland - Tot in de twaalfde eeuw speurde hij zijn familie op. Folpert van der Lek en Stephanus van Smithuizen heetten zijn respectievelijk 48.250.128ste en 48.250.132ste voorouder. De eerstgenoemde was rond 1168 een edelman, die financieel borg stond voor de graaf Van Holland. De ander in 1190 leenman, die goederen beheerde uit naam van de bisschop van Utrecht.
Pater Theodorus Petrus van Zijl (75) uit Teteringen, die eind juli zijn vijftigjarig priesterschap viert, legde de stamreeks vast in De Kwartierstaat Van Zijl/Van Gaalen. Het ruim honderd pagina’s tellend boek werd onlangs uitgegeven door het Boekenfonds Studiegroep Genealogie Westland.
"Uit de opsomming blijkt dat bijna alle Westlandse families gelieerd zijn aan het geslacht Van Zijl, waarvan de naam voor het eerst opdook bij het elfde geslacht. Oftewel, we zijn allemaal familie van elkaar. Dat staat onomstotelijk vast", verantwoordt Wateringer J. W. H. Olyslagers, voorzitter van de studiegroep, de uitgave door het boekenfonds.
Vijfenveertig jaar werkte Van Zijl aan het document, waarvan een deel van het onderzoek werd geschonken aan het Westlands Museum in Honselersdijk. "Prachtig historisch bronnenmateriaal over familieonderzoek in het West- en Rijnland".
Pater van Zijl werd op 5 juli 1919 geboren in het Hof van Delft in een gezin van vier kinderen. Hij volgde de rooms-katholieke opleiding tot priestermissionaris in Steijl bij Venlo. Na zijn opleiding was hij professor of history aan de Nanton University in Nagoya in Japan; master of science in the Library Service van de Colombia Univercity in New York, doctor of philosophy in Mediavael History aan de Catholic University of America in Washington; professor of history aan de Universiteit van San Carlos in de Cebucity in de Filippijnen en bibliothecaris bij het Theologisch Instituut van de universiteit van Amsterdam.
Tijdens onderzoek in Japan vond hij naar eigen zeggen ‘toevalligerwijs’ een artikel in de Nederlandse Heraut over het geslacht Van Zijl uit Leiderdorp. Pater Van Zijl: "Het stuk prikkelde mijn nieuwsgierigheid. In de studiezaal van de universiteit heb ik vervolgens alle gedrukte bronnen en artikelen nagespeurd. Met kennissen in Nederland begon ik een correspondentie om zoveel mogelijk inlichtingen over het geslacht Van Zijl te krijgen". Zijn hobby was geboren.
Levenswerk
Voorafgaand aan de kwartierstaat, zijn levenswerk, verschenen in 1969 Het
Westlandse Geslacht Van Z(e)ijl en in 1985 De Stamreeks Van Zijl. In De
Kwartierstaat Van Zijl/Van Gaalen - een omgekeerde piramide, die uitgaat van
alle voorouders- zijn een groot aantal familienamen in de loop der eeuwen terug
te vinden. In tegenstelling tot genealogische stamreeksen, waarbij alleen de
mannelijke nakomelingen worden vernoemd.
Een greep uit het aanbod. De vader van pater Theodorus heette Cornelis Franciscus van Zijl en werd geboren in 1874 in Rijswijk. Volgens de uitgave was hij watermolenaar van de Hoekpolder, later veehouder en landarbeider in het Hof van Delft en Wateringen. Hij overleed in 1943. Twee eeuwen daarvoor schrijft de kwartierstaat over ene Cors Willemszoon van Zijl, geboren op de Swet in Wateringen, watermolenaar van de West-Eskamppolder onder Haagambacht, die in een nog onbekend jaar overleed in Loosduinen. Over Adriaan Corneliszoon staat geschreven dat hij in 1579 schepen van Monster was; over Dick van Hodenpijl dat hij rond 1281 grafelijk leenman van het Ambacht Hodenpijl, gelegen onder Maasland, was.
Grootste knelpunt voor Van Zijl, zegt voorzitter Olyslagers van de studiegroep was het feit dat vóór 1600 geen trouw-, geboorte- en overlijdensaktes werden opgemaakt. Om de Leenderts-, en Claeszonen, de Adriaens- en Jansdochters, de Neeltgen, Trijntgen, Symons, Pieterszonen en Marytgen op te snorren. De kerk bijvoorbeeld besloot daar pas toe, vervolgt Olyslagers, eind zestiende eeuw tijdens het concilie van Trente. Met uitzondering van adellijke lieden en mensen die zich aldus Olyslagers op het slechte pad begaven, stond over het ‘brave volk’ niets opgetekend. "De hardwerkende boer was niet interessant genoeg om in bronnen te vermelden". Pater Van Zijl boorde rechterlijke archieven van de schout en schepenen aan om via boedelscheidingen en testamenten over zijn voorouders informatie te verzamelen.
Hiaten
In
geval van twijfel, werden de namen niet vermeld. Vandaar ook een groot aantal
hiaten in het boek. En de beëindiging van de stamreeks bij de 48.250.133ste
voorouder met nomen nescio: ik weet de naam van de ouders niet. De pater wil
verder onderzoek plegen. Wat Olyslagers betreft, komt de 75-jarige uit bij Karel
de Grote "waar we tenslotte allemaal van afstammen". Of dat lukt, betwijfelt Van
Zijl. "Ik heb nog zoveel andere bezigheden. Daarbij verwacht ik dat er naar
aanleiding van de kwartierstaat een uitgebreide correspondentie op me afkomt.
Van Westlanders die informatie vragen. En die wil ik allemaal zo goed mogelijk
te woord staan.
De Kwartierstaat Van Zijl/Van Gaalen is voor 23 gulden te koop bij het Westlands Museum aan de Middel Broekweg 154 in Honselersdijk.
Door: Beatrice Keunen Uit: Westlandsche Courant
Vrijdag 22 juli 1994
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
K L O P J E S.
In de
tentoonstelling "Westlandse Schuilkerken" verschenen catalogus, wordt op de
laatste bladzijde gesproken over klopjes.
Wat waren
klopjes ?
De
algemene gedachtegang is, dat in de ruim tweehonderd jaar tussen de reformatie
en de 19e eeuw, toen de openbare uitoefening van het Rooms-Katholieke geloof
verboden was, de klopjes, wanneer er op een geheime plaats een priester kwam om
de mis te lezen, langs de belijders van de oude leer gingen om deze te
waarschuwen. Helemaal onjuist is dit niet, maar zij waren meer. Om te beginnen
reeds voor de hervorming, bijvoorbeeld in 1511, werd er over "klopsusteren en
broers" geschreven. IJsselstein was toen door Gelder en Utrecht belegerd en een
tijdgenoot maakte toen het volgend rijm:
'Dye Gotshusen
mosten alle mede opdocken
En geven wolle dusenden alle sunder iocken,
Closteren, clopsusteren ende lollarden (cellebroeders)
Mosten alle met gelt ten (o)orlige aanvaerden'. 1)
Ook in Leiden werd al in 1538 genoteerd; 'Die Clop een grooten', die had zij
verdiend voor het zingen in de Gulden Mis. Maar terug naar wat zij waren.
Eugenie Theissing schreef (1935) in haar proefschrift; "Over klopjes en
kwezels"; "Waren zij kloosterzusters, begijnen of leken? Ook nu is geen
categorisch antwoord op deze vraag te geven, omdat zij noch het een, noch ander
zijn geweest". Kort geleden las ik de volgende definitie, die ook weer alles en
niets zegt: "Een 'klopje' was iemand, die niet trouwde en onder geestelijke
leiding in dienst van God en kerk trad".
Kloosterlingen leggen drie geloften af, t.w. die van gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede, verder leefden zij over het algemeen in een gesloten gemeenschap. Begijnen legden een tijdelijke gelofte van zuiverheid af en waren gehoorzaamheid verschuldigd aan hun overste. Feitelijk benaderden de klopjes meer de Zusters van het Gemene Leven. De Zusters en Broeders van het Gemene Leven, een kloosterorde ontstaan uit de vernieuwing van de Moderne Devotie van Geert Grote, legden geen verplichte geloften af, ook hadden zij naast een gezamenlijk bezit hun persoonlijke eigendommen. Tevens moesten zij werken om in hun levensonderhoud te voorzien en mochten zij in hun kleding niet opvallen tussen de gewone mensen.
Klopjes legden echter één gelofte af, bijvoorbeeld aan hun biechtvader, meestal een gelofte van zuiverheid, soms aangevuld met een belofte van gehoorzaamheid. Over het algemeen behielden zij hun eigendommen en zorgden zelf voorhun levensonderhoud, sober en vaak tegen het armoedige aan. In tegenstelling met kloosterlingen en begijnen woonden zij vaak bij ouders of familie. Wanneer zij zich in een 'Vergadering' verenigde had zo'n gemeenschap iets van de begijnen, maar men bleef in eigen levensonderhoud voorzien. Rovenius (Apostolisch Vicaris) stelde dat Kloppen gewoon leek waren en geen enkel kerkelijk voorrecht genoten.
Maar de buitenwacht zag toch duidelijk een verschil tussen een klopje en een ongehuwde katholieke vrouw. Zo noemde J. J. de Graaf, in de Haarlemse Bijdragen, een brief, waarin een Alkmaarse familie werd beschreven, waarvan twee dochters klopzuster waren geworden en een derde als godvruchtig vrijster was gestorven. Een Jezuiet uit Amsterdam meldde, dat de klopjes Fl. 6000,- hadden bijeengebracht en de leken slechts Fl. 4000,-.
Wanneer in 1663 de paus informatie vraagt over het verschijnsel klopje, noemt Neercassel hen de bloem der kerk. Zij behoren bij geen enkele instelling, tenzij de instelling der maagden, waarover Ambrosius en andere oude Vaders in de oudheid hadden geschreven. De Utrechtse pastoor Kemp, die "De Zedelessen voor de Maegden" had geschreven, maakte een tabel van verdiensten: "De maegden hebben hondertvout, de weduwen en die zig onthouden sestigvout en d'eersame getrouwden dertigvout".
Uiteraard waren er ook figuren die minder lovend over deze klopjes, maagden of devotes spraken. In de gehele 17e eeuw was er discussie over hen, Lindenboom, Rovenius, Van Schoonhoven, Van Espen, Zacharias van Metz, Van Neercassel en vele anderen gaven hun mening. Zacharias van Metz schreef in 1661 een ongunstige brief aan Rome, die Van Neercassel een jaar later probeerde te neutraliseren.
De levenswijze van deze vrouwen had geen vaste regel, was er een leidraad dan was deze gebaseerd op de zienswijze van hun biechtvader en/of andere priester, die hen begeleidde, aangepast aan de omstandigheden, waarin men verkeerde en deze regels gehoorzaamden zij zoveel mogelijk. Reeds in het begin van de 17e eeuw kwamen er "Klopjesboeken", welke poogden een lijn in hun leven te brengen en die min of meer algemeen werden aanvaard. Want: "Een maagd zonder regel, is als een schip zonder stuurman", was de mening van Kemp.
In deze "Klopjesboeken" werden verschillende zaken aanbevolen, zoals kleding, gebed, vasten en versterving, behoud van de eerbied, ingekeerdheid in kerk en gebed, onderlinge liefde, gehoorzaamheid aan de overste, de biecht, gewetensonderzoek, de dienst in de kerk, het onderhouden van de regels enz. Er werd aangedrongen op een sobere levenswijze, de inrichting van huis of kamer moest functioneel zijn, geen luxe, geen wereldse zaken, alles moest er op gericht zijn om de godsvrucht op te wekken. Voor de voeding gold dezelfde regel, soberheid bovenal, men moest kieskeurig zijn, maar men diende beslist voldoende te eten en te drinken. Tussen de maaltijden door moest men echter niets nuttigen. Bier en water was voor het drinken goed genoeg. Gevast werd er op de voorgeschreven vastendagen. Buiten de traditionele vrijdag waren dit de woensdag en de dag, die aan een feestdag voorafging. Tegen overdrijving werd streng gewaarschuwd, slapen op de grond: accoord, dragen van een wollen kleed: best, maar te zwaar op de vasten: neen. Lindenboom schreef o.a. in de "De herder Jacobs": "Het is voor velen niet aan te raden te leven op water en brood en alle zuivel en vlees te mijden, waartoe juist zij genegen zijn, die dit het minst kunnen verdragen". Voor dergelijke zware boetedoening werd toestemming van de biechtvader vereist.
De kleding moest van de eenvoudigste eenvoud zijn. Hoewel er geen regel van gelijkheid bestond kwam door de nagestreefde soberheid bijna automatisch een bepaald patroon tot stand. Zo werd de kleding zwart 'om rouw te draegen over de weirelt en alle lichtverdigheijt te verzaecken'.
Men droeg, wanneermen op reis moest, om moeilijkheiden te vermijden, over het algemeen wereldse kleding. Deze vrouwen ondervonden veel onbegrip, ook van familie en vrienden zoals Giertgen Deinen, een dochter van een bemiddeld koopman. Haar vrienden verwonderden zich over haar. Giertje legde namelijk van de een op de andere dag, zonder dat één van haar naasten hiervan een vermoeden had gehad, haar rijke kleding af, die zij altijd met overtuiging en genoegen gedragen had 'terwijl sij moy was van aenschijn, jonck van jaren, rijk van tijtelijck goedt en hebbende een rijcke ghemuetge'. Over het mutsje of kapje werd ook veel gescreven en gewreven. Volgens sommigen moest het zo zijn alsof 'daar de vogelen in nestelen souden'.
De gegeven regels waren echter bedoeld als goede raad en dus niet bindend. De biechtvader kon het klopje berispen maar afwijken was geen zonde. Zij kon in alle vrijheid leven, zoals zij dit noodzakelijk achtte.
Haar werkzaamheden waren tweeërlei. Ten eerste werelds, zij moesten immers zelf in hun levensonderhoud voorzien. Waren zij niet van gegoeden huize of wilde de familie niet in haar onderhoud voorzien, dan moesten zij werken. In velerlei beroepen werden de klopjes aangetroffen; in de geëigende vrouwenberoepen als naaister of dienstbode, maar ook als brouwersmeid en in Bergschenhoek zelfs als turfsteekster. Ten tweede religieus. Voor hun Roomse kerk staken zij al hun vrije tijd in de geestelijke en/of de lichamelijke barmhartigheid, de zorg voor de priesters, onderricht aan kinderen en andere onwetenden. Eén van de oorzaken van de reformatie was het plichtsverzuim en de onbekwaamheid van veel geestelijken. Na de hervorming moesten, in een tijd van onderdrukking en achterstelling, de resterende priesters proberen het verlorene te herstellen. Volgens Fruin, in zijn 'De wederopleving van het Katholicisme...', zag echter apostolisch vicaris Sasbout van Vosmeer, omstreeks 1600, een kentering ten goede, mede dankzij de goede werken van de klopjes en klopbroeders.
De geestelijken, die hun werk officieel illegaal moesten verrichten konden zich, zeker de eerste decennia, niet op een vast adres vestigen. Het waren vaak de klopjes, die zorgden, dat zij dan hier en dan daar konden verblijven. Niet alleen gaven zij hen onderdak, maar zij stelden tevens hun huis als kerk beschikbaar. Zo heeft bijvoorbeeld Rovenius 25 à 30 jaar een schuilplaats gehad in het huis van Hendrika van Duivenvoorde. Koeriersterswerk is niet alleen van deze tijd. Onderlinge communicatie was voor de geestelijken vaak onmogelijk en de devotes verzorgde dan via koeriersdiensten deze contacten. Dusseldorp schreef nogal cynisch in zijn "annales", dat dit voor vrouwen een minder gevaarlijke bezigheid was.
In principe verzorgden zij de gehele kerk, zowel de inrichting als versiering en het onderhoud, vaak op eigen kosten, tot en met de zang en muziek. Maar zij dienden ook de mis. Uiteraard was dit tegen de kerkelijke regels. Wanneer in 1609 Sasbout van Vosmeer hierover onderhouden wordt, door de nuntius, antwoordt deze, dat dit liturgisch zeker niet goed is, maar gezien de omstandigheden, namelijk het ontbreken van misdienaars, hij dit wel moet tolereren.
Johannes van Velden schreef aan Rome, dat wanneer er geen priester was, de klopjes ook vaak de zielzorg deden, zoals bezoek aan armen, zieken en bejaarden en deze geestelijk en materieel ondersteunden. Ook in het onderwijs maakten zij zich verdienstelijk, bijvoorbeeld aan Anna, de dochter van Joost van den Vondel, zoals Van Lommel in zijn 'Historische Waarden' meldt. Uiteraard werden ook de lessen uit de Catechismus aan de maagden overgelaten, wanneer dit voor de priester te gevaarlijk was. Uit het voorgaande blijkt duidelijk, dat deze vrouwen over het algemeen geen zalvende en suikerzoete wereldvreemde wezentjes waren. Eugenie Theissing schreef reeds in haar proefschrift: "Zij wisten: godsliefde en naastenliefde zijn niet te scheiden en stoffelijke hulp aan misdeelden is gelijkertijd een geestelijke gave. Een feitelijke daad is meer dan een boek met mooie woorden".
Maar tussen
tarwe groeit altijd onkruid.
Uiteraard was zowel priester als maagd niets menselijks vreemd. Gezien de
omstandigheden waren priesters en klopjes op elkaar aangewezen. Maar ook de
jaloezie en afgunst staken hun kop op, om over de roddel maar te zwijgen. Zoals
reeds eerder geschreven zag Vicaris Zacharias van Metz, het allemaal niet zo
zitten en noemde de klopjes een aanleiding tot veel kwaad onder de priesters; de
onderlinge verstandhouding was te vrij en gaf vaak ergernis bij andere
Katholieken.
Van Helvoirt vermeldt in zijn "De klopjes in Twente" een Twentse zegswijze;
"Ne klop is ne
Hillige in de Kiärk,
Ne klappei op de straat en ne Duvel in Hüs".
Kerkelijke overheden, die buiten het Hollandse missiegebied zetelden probeerden met voorschriften te sturen. Vaak waren dit kanonnen om muggen te schieten. Toch overheersten de gunstige uitspraken. De uitspraak in 1643 van een Goudse predikant spreekt boekdelen: "En dat deselve cloppen ongelooffelijck stout zijn en meer schaede de lande ende der Religie doen als alle de Paepen". Zij werden bij vlagen vervolgd, er zijn uitbanningen en andere straffen bekend, maar vele bestuurders stonden meer godsdienstvrijheid voor of sympathiseerden met de oude religie en/of waren omkoopbaar en korte tijd later was alles weer als voorheen.
Door het sluiten van de kloosters etc. kwamen vele godvruchtige mensen in een religieus vacuüm. Op natuurlijke wijze groeiden spontaan deze gemeenschappen van dienen. Het lijdt geen twijfel: vele van deze vrouwen hadden in andere omstandigheden voor het klooster gekozen. Maar ook andere minder religieus betrokkenen kozen als reaktie op de onderdrukking voor dit onofficiële instituut. Onder normale omstandigheden waren deze mensen nooit religieus gaan leven. De laatste klopjes stierven deze eeuw, bijvoorbeeld Johanna Biezemortels op 17 maart 1932 in Tilburg.
Ook in het Westland waren zij actief. Veel is er van hen niet bekend; in de begraafboeken komt men een enkele maal achter de naam van de overledene de vermelding tegen "Devota" (geestelijk zuster) en zeker in Wateringen een enkele "Devotus" (geestelijk broeder).
De eerste pastoor van Wateringen, Cornelis Verburgh, had een zuster, Crijntje Verburgh. Deze was grondlegster van een gemeenschap van Klopzusters en -broers in Wateringen. Naast Crijntje Verburgh, overleden 27 april 1710, zijn onder andere nog bekend: Anna Ammerlaan, Aagje Engelen, Aeltje Cornelis van der Maerel, devota en weldoenster, Marie Jans van der Maerel, Meerten Pitersen van der Maerel, Jannetje Dircx Persoon, Pieter Dirkse Persoon, Trijntje Louwen Rijgersbergen en Marij Lenerts Tetrode.
1) Gallee en Muller, berijmd verhaal. pg. 674.
Uit: Westlandsche Courant
Door: J.W.H. Olyslagers.
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Studie naar Hollandse jongens in Franse tijd.
Heldendaden overschaduwd door
de honger.
Hans van
der Hoeven bestudeerde het dagelijkse leven in de Napoleontische tijd.
Delft
Op de triomfen van Piet Hein, Jan Tromp, Michiel de Ruyter en andere zeehelden
zijn wij Hollanders maar wat trots. Onze borst zwelt bij het zingen van de
Zilvervloot. Maar de rest van de vaderlandse militaire geschiedenis is voor
velen een blinde vlek. Ja, de slag bij Waterloo, dat zegt sommigen nog iets.
Maar dan houdt het op.
"Geruime tijd lag er een soort taboe op de militaire geschiedenis", beaamt Marco van der Hoeven, kersvers afgestudeerd aan de Rijksuniversiteit Leiden en auteur van het boek ‘Van de Weser tot de Weichsel, Het leven van het Koninkrijk Holland en de Duitse veldtochten van Napoleon 1806, 1807 en 1809'.
"Pas de laatste tijd is er een kentering waarneembaar. Dat is vooral te danken aan een Engelse publicatie, ‘The face of battle’ van John Keegan, waarin aandacht wordt besteed aan de individuele soldaat. Wat maakte een soldaat mee tijdens zo’n veldtocht, hoe zag zijn leven eruit? Het gaat dus meer om de psychische aspecten en minder om de strategische", zegt de 24-jarige doctorandus, die tegenwoordig werkzaam is bij het Leger- en Wapenmuseum.
Napoleon
Voor zijn afstuderen richtte hij de blik op de Napoleontische tijd, met name het
optreden van Hollandse troepen op Duits grondgebied, een onderbelicht aspect van
de Nederlands-Duitse betrekkingen.
In 1806 trokken op last van Napoleon 12.000 soldaten van het Koninkrijk Holland naar Duitsland. Ze zouden daar aan de kant van Frankrijk vechten tegen Pruisen, Zweden, Russen en Engelsen. Na de succesvolle afsluiting van de veldtocht in 1807 bleven 6000 Hollanders achter als bezetters van de Noordduitse gebieden. In 1809 zouden ze nog een keer in actie komen, ditmaal om een opstand neer te slaan.
"Nederland
staat graag bekend als pacifistische mogendheid, maar in de gouden Eeuw was
Nederland maar heel kort niet betrokken bij een oorlog", aldus Van der Hoeven.
"Nederland is intensief betrokken geweest bij de oorlogen die Europa teisterden
in de periode 1792-1815.
Als bondgenoot van Frankrijk leverde de voormalige Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden geld, voedsel en soldaten. In verschillende staatkundige vormen -
Bataafsche Republiek, Koninkrijk Holland en de provincie van Frankrijk - nam
Nederland deel aan de veldtochten van Napoleon Bonaparte.
Zo speelden vele tienduizenden Nederlanders een rol in de militaire operaties die zo’n grote invloed zouden hebben op de geschiedenis van Europa. Oorlogen vormen immers de grenspalen, de breukvlakken in de geschiedenis".
In Van der Hoevens visie is in de loop der tijd te veel aandacht besteed aan de gloriekant van de oorlog en minder aan de menselijke - of zo men wil, onmenselijke - kant van de oorlogvoering. En als er al aandacht aan de oorlog wordt besteed, is het op een geromantiseerde of op sensatie beluste manier in Hollywood films en tv-series.
Maar enkelen namen de moeite om zich in de echte geschiedenis te verdiepen. Er ligt dan ook nog een enorm terrein braak waar Van der Hoeven naar hartelust in heeft kunnen wroeten. "Er zijn historici die nooit een voet in een archief zetten. Ik begrijp dat niet. Het door je handen laten gaan van archiefmateriaal, dat is een historische sensatie die ik niet graag zou willen missen. Bovendien hoef je niet te herkauwen wat anderen al uitgebreid voor jou hebben gedaan. Je betreedt echt een nieuw terrein. De Franse Tijd is in de militaire geschiedschrijving van de twintigste eeuw onderbelicht gebleven. Moderne historici hebben zich voornamelijk gestort op de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Nederlands-Indië na 1945. Toch is die tijd minstens zo interessant.
Carrière
"Wat ik zo fascinerend vind aan deze periode, is de carrière van sommige
militairen. De ene keer is een soldaat in dienst van het ene leger en even later
in dienst van het andere. Wie het ene moment de vijand is, kan het volgende
moment je collega zijn", aldus Van der Hoeven. "Neem luitenant-kolonel P.F.
Vermeulen-Krieger (1782-1865). Hij begon zijn carrière in de garde van Lodewijk
Napoleon. In 1812 was hij als luitenant bij de veldtocht naar Rusland, waar hij
door de Russen krijgsgevangen werd genomen. Na zijn terugkeer in Nederland in
1814 vertrok hij naar Indië, waar hij tussen 1817 en 1834 bij vele
krijgshandelingen betrokken was. In zijn 57-jarige carrière had hij 22
veldslagen of grote gevechten meegemaakt".
Voor de meeste Hollandse militairen was vechten geen dagtaak. Ze waren door Lodewijk Napoleon opgeroepen tot een roemrijke loopbaan waar in de praktijk weinig van terecht kwam.
"Zoo worden bij deze alle brave Jongelingen uitgenodigd, om onder de Vanen onzes Konings ene roemrijke loopbaan te betreden. Gij, brave Jongelingen! Die u voelt aangespoord om deze uitnodiging te volgen, vervoegt u ter plaatsen, daar gij tot dat roemvol einde kunt geëngageerd worden", luidde de wervingsadvertentie in de Koninklijke Courant, waarop duizenden reageerden.
In de drie jaar dat de Hollandse troepen in Duitsland lagen, bleef er weinig over van de voorgestelde glorie. De soldaten hebben nooit meer dan enkele dagen achtereen gevochten. Het totaal aantal dagen dat gevuld was met gevechtsacties bedraagt ongeveer vijfentwintig. Dat varieerde van een kleine schermutseling tot complete veldslagen.
Wachten
Het dagelijks leven bestond dan ook voor een belangrijk deel uit wachten,
marcheren en proberen aan voedsel te komen. Af en toe deden zich vechtpartijen
en andere excessen voor. Soms werden die veroorzaakt door drankmisbruik - van
hogerhand werd de militairen drinken aangeraden een (gratis) glas jenever per
dag te drinken, omdat dit de gezondheid zou bevorderen - soms lag verveling
eraan ten grondslag. Het grote aantal mannen dat leed aan een geslachtsziekte
doet vermoeden dat drinken niet het enige vermaak is geweest.
Veel meer dan vaandels en onderscheidingen bepaalden honger, angst, vermoeidheid, verveling en ziekte het gezicht van de oorlog. Er werden meer soldaten in het hospitaal opgenomen met ziekten, dan met verwondingen. Dit kwam door de vaak slechte hygiënische omstandigheden en slecht voedsel. Het percentage verliezen van het Hollandse korps ten gevolge van gevechten was slechts zes procent. Het merendeel van de militairen keerde ongeschonden in het vaderland terug.
Veel tijd werd in beslag genomen door het verplaatsen der troepen. Het aantal kilometers per verplaatsing kon nogal verschillen. Soms werd er per dag ongeveer 30 tot 40 kilometer afgelegd. Als er meer haast bij was zoals bij de inval in Westfalen of de tocht van Hameln naar Nienburg, liep dit op tot 80 à 90 kilometer per dag. De soldaten marcheerden per dag 12 uur achtereen. Een speciaal geval is het tegenoffensief bij Stralsund in 1807. Bij de Zweedse uitval waren de Hollanders in één week over een afstand van ongeveer 130 kilometer teruggedreven. Deze afstand werd bij het tegenoffensief binnen 24 uur afgelegd.
Op deze routen waar de grote armee had gepasseerd had ik met grote moeilijkheden te worstelen, het slechte vochtige Novemberweer had die altijd gebrekkige wegen bijna onbruikbaar gemaakt, overal vond men materieel en voertuigen weggezonken, met gebroken radarwerk enz. bezweken paarden, artillerieparken, die er zich trachten door te werken en zeer tevreden waren, wanneer met de meeste aanstrening 4 uren afstand in een etmaal konden avanceren.
De soldaten konden dat uiteraard niet volhouden zonder voeding. Daarvan was er zelden voldoende, dus plunderden soldaten in vijandelijke gebieden hun maaltje bij elkaar. Op het gebied van bondgenoten lag dat uiteraard wat moeilijker.
Tijdens de slag bij Friedland (1807) klaagt een van de militairen in een brief zijn nood:
Al vanaf het vertrek uit Zweeds-Pommeren heerste voedselgebrek. D’armee is dikmaals veertien dagen zonder brood, slechts wat meel of scheeps beschuyt wordt soms gedistribueerd, ‘t gebrek voor Man en Paard is alleruiterst.
Saillant detail is dat de overwinning bij Friedland door koning en ministers werd gevierd met een schitterend diner voor 140 man.
Het zal een schrale troost geweest zijn voor de hongerende soldaten te velde dat ze bij dat diner niet zijn vergeten. Een van de uitgebrachte toast luidde: ‘Aan alle de Helden, welke de glorierijke Overwinning die wij heden vieren, bevochten hebben, en waaronder wij het genoegen hebben ook te mogen tellen enige onzer Landsliederen, tot ‘s Konings Armee behorende.’
Door:Trudy van der Wees
Uit: Westlandsche
Courant Vrijdag 24 juni 1994
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Westland was ooit een bollenstreek.
De teelt van tulpenbollen was erg
arbeidsintensief.
Werkmannen moesten met de hand poten, wieden, koppen en rooien.
Westland
Bloembollen ? Die groeien bij Lisse en Hillegom, in de Bollenstreek en zo. Toch
niet in het Westland? Dat klopt. Tussen alle tomaten, paprika’s en chrysanten
zijn Westlandse bloembollen een uitzondering. Hooguit zijn er nog wat telers van
amaryllis of tulp.
Nog maar dertig jaar geleden was dat heel anders. Ouderen herinneren zich nog dat men bij de ‘s-Gravenzandse en Monsterse duinen bollen pelde. Dezelfde bollenvelden als nu zo massaal in de kop van Zuid-Holland worden bewonderd. Dat het Westland vroeger deel uitmaakte van de ‘Bollenstreek’, is goed zichtbaar op de nieuwe expositie in het Westlands Museum in Honselersdijk. Op foto’s is te zien hoe in de periode na 1850 steeds meer Westlandse boeren en tuinders bloembollen gingen telen. Sommigen waren wel gedwongen om over te schakelen, want de afzet van aardappelen was in de problemen gekomen. Bollen waren een gat in de markt, want het grote publiek had ontdekt dat een bloemetje in huis toch wel gezellig was.
De handel verliep eerst vrij simpel. De bollentelers kregen bezoek van de exporteurs of tussenhandelaren. Na een beetje onderhandelen werden de bollen verkocht. Voor de tuinders was de directe verkoop niet zo gunstig. De handelaren speelden de telers soms tegen elkaar uit. De tuinders bedachten dat ze bij een veiling, waar meerdere kopers tegen elkaar op moesten bieden, een hogere prijs zouden halen. De eerste bloembollenveiling werd gehouden in Poeldijk, op 30 april 1886.
Al snel ontstonden er verenigingen van Bloembollenkwekers, die veilingen van bloembollen organiseerden. Een bekende vereniging is Floralia uit ‘s-Gravenzande, opgericht in 1890 en nog steeds actief. In Wateringen was de vereniging Aurora opgericht, terwijl ook bollentelers in Monster, Honselersdijk, Kwintsheul, Naaldwijk en Maasdijk gingen samenwerken.
De werkwijze van de bloembollenveilingen was heel anders dan tegenwoordig. De bollen werden al geveild als de bloemen op het veld in bloei stonden. De kopers gingen op een vastgestelde dag in optocht langs de velden. In een zaal werden de bollenvelden vervolgens bij opbod en afslag verkocht, onder toezicht van een notaris of deurwaarder. Dit systeem werd een ‘groene veiling’ genoemd. De groene veilingen bleken in de praktijk toch wat onhandig. Geleidelijk aan gingen de telers de bollen eerst rooien, sorteren en schoonmaken voordat ze ter veiling werden aangeboden.
Zandgrond
Floralia uit ‘s-Gravenzande hield de eerste droge veiling in 1907. De laatste
groene veiling werd nog in 1914 gehouden. De tulp was het meest voorkomende
plantaardige product dat werd geteeld. Het opkweken van de oorspronkelijk Turkse
bloem vergde veel handwerk. Als het land in september klaargemaakt werd voor het
poten van de bollen, werd het glad gereden met een rol, waarop al groeven zaten,
die de plantafstand van de bollen aangaven. Men liep over planken op het land om
de bollen te poten.
Als het gewas boven de grond kwam, zat er veel onkruid tussen. Dit moest met de hand worden gewied. Kwam de tulp in bloei, dan moesten de planten worden gekopt. Met een mesje werd de bloem van de steel afgesneden, zodat alle kracht naar de bol ging. Ook het rooien van de bollen gebeurde met de hand. Dan werden de bollen gepeld en in de kinnetjes (manden) gedaan.
Het bollenpeller was echt vrouwenwerk en werd slecht betaald. De vrouwen moesten vlug pellen, om nog wat te verdienen. Vaak zat men daarbij in stoffige schuren op oude stoelen of een houten kist. De meeste telers van bloembollen waren te vinden in ‘s-Gravenzande. De zandgrond was erg geschikt voor de teelt, terwijl zo vlak achter de kust de temperatuur soms iets hoger is dan dieper landinwaarts. De teelten kwamen door de gunstige omstandigheden eerder tot volle rijpheid. Dat maakte de bollenteelt rond ‘s-Gravenzande een winstgevende zaak.
Tot aan de Eerste Wereldoorlog leidde de handel en teelt in Westlandse bollen een bloeiend bestaan. Door de oorlog tussen 1914 en 1918, waarbij Nederland neutraal bleef, kwam de export bijna stil te liggen. Tuinders gingen over op andere teelten, maar na de oorlog neemt de bollenhandel- en teelt weer toe.
De opleving was van korte duur. Na de beurskracht in Wall Street sleurde de wereldwijde economische malaise ook de bollenteelt in een dal. De handelaren raakten de bollen aan de straatstenen niet meer kwijt en de prijzen kelderden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stopte de export helemaal en veel telers stapten over op andere bloemen of op groenten. Bovendien moesten veel bollenkwekers in de duinen wijken voor de Duitse verdedigingswerken.
Na de oorlog was er weer een opleving van de bollenteelt. In het midden van de jaren zestig daalden de omzetten echter. De bollenteelt werd steeds meer vervangen door bloemen. Alleen rond Lisse, waar ook meer exporteurs zijn gevestigd, bleef de teelt levendig. In het Westland was de overgang van bollen naar bloemen niet zo groot. Veel bollentuinders hadden altijd al, voordat ze de bollen op de veiling aanvoerden, de afgesneden bloemen naar de markt gebracht. De eerste bloemenveilingen in Poeldijk en Honselersdijk vonden zo hun oorsprong.
Amaryllis
Eén bollencultuur in het Westland heeft de tand des tijds doorstaan. De
amaryllisbollen. Deze teelt geschiedt onder glas en was al in de jaren zestig
geen nieuw product. Reeds in 1932 introduceerde A.W. van Eendenburg dit bolgewas
in het Westland. In de jaren vijftig begint men met de verkoop van
amaryllisbollen. De teelt komt nog steeds in het Westland voor.
De
tentoonstelling "De bloembollenteelt in het Westland’ in het Westlands Museum
van de Middel Broekweg 154 in Honselersdijk, is tot 18 februari te bezoeken.
Attentie dat was in 1994 !)
Het museum is geopend van dinsdag tot en met zaterdag van 14 tot 17 uur.)
Uit: Westlandsche Courant Dinsdag 4 oktober
1994
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Wegen vorige eeuw onbegaanbaar.
Westland
De Westlandse gemeenten hebben een groot belang bij in goede staat verkerende wegen. De infrastructuur is van doorslaggevende betekenis voor de economische ontwikkeling van de streek. Dat geldt niet alleen voor deze tijd. Ook in de vorige eeuw was dat het geval.
Nadat in 1833 en in de winter van '33-'34 de
wegen van Naaldwijk en Wateringen naar Rijswijk en Delft buitengewoon lang
onbegaanbaar waren geweest, namen de burgemeesters van beide plaatsen de plannen
om de wegen te bestraten opnieuw in overweging. Dat was noodzakelijk, omdat in
Delft en Rotterdam zich markten voor producten uit land- en tuinbouw en veeteelt
bevonden. De wegen naar Delft waren gemiddeld zeven maanden per jaar
onbegaanbaar. Als er een natte zomer was, was er gedurende het hele jaar door
vrijwel geen begaanbare weg te ontdekken. Om Delft te bereiken, moest er dan een
omweg via Den Haag worden gemaakt. Het was dan ook wel logisch dat de Westlandse
gemeenten voor verbetering van de doorgaande wegen wel wat geld wilden
uittrekken. Men wilde de wegen eigenlijk bestraten, maar door de hoge kosten was
men genoodzaakt zich met bepuining en beschelping tevreden te stellen. De
gemeenten Monster en
's-Gravenzande werkten ook mee.
In november 1835 zonden de raden van de vier gemeenten een gemeenschappelijke brief aan de Koning. Daarin vroegen zij machtiging om tot het opknappen van de wegen over te gaan. Bovendien wilden zij tol- gelden op de wegen gaan heffen. Bij Koninklijk Besluit van 4 mei 1837 werd vergunning verleend om tot bepuining, beschelping of bekoolassing over te gaan. Een commissie van beheer hield toezicht op het onderhoud van de wegen en op een penningmeester, die verantwoordelijk was voor de inning van tol- en hoefslaggelden en het aanstellen van tolgaarders. Zij moesten op hun beurt weer verantwoording afleggen aan de burgemeesters van de vier gemeenten, en die vervolgens weer aan Gedeputeerde Staten.
De gezamenlijke gemeentebesturen konden dus de wegen gaan verbeteren, zoals bijvoorbeeld de Haantjesheul onder Delft, de Hoornbrug in Rijswijk en verder richting Wateringen, Naaldwijk, Monster en 's-Gravenzande. Ook sommige wegen in Rijswijk werden aangepakt door de vier gemeenten. De Lange en Korte Kleiweg waren onbegaanbare kleiwegen, maar wel belangrijk in de verbinding naar Delft. De vier Westlandse gemeenten draaiden op voor de kosten van het onderhoud.
Op 13 mei 1839 kon men met de tolheffing
tussen Wateringen en Poeldijk worden begonnen en op 2 september van dat jaar op
de Lange Kleiweg. Tussen Loosduinen en Monster was ook een toladres. Een café,
genaamd 'De Tol', dat recht voor de Orberlaan heeft gestaan en in ongeveer 1930
werd gesloopt, is daar lang getuige van geweest. Bij het passeren van de tolboom
moest worden betaald. Voor een bok, geit of hond bespannen voor een vierwielige
wagen moest drie centen worden neergelegd, indien het voertuig twee wielen had
anderhalve cent.
Boeren die mest vervoerden en bouwvakkers met metselspecie waren weer
vrijgesteld van betaling.
De doorgaande wegen waren op dat moment in redelijke staat gebracht. Indien de
gemeenten echter gedacht hadden voor lange tijd klaar te zijn, dan kwamen ze
bedrogen uit. Het verkeer werd drukker en zwaarder. De schelpwegen bleken niet
bestand tegen de zware vrachten. De jaarlijkse onderhoudskosten werden almaar
hoger. In 1852 besloot men om een grindlaag aan te brengen op de wegen. Aannemer
J. Janknegt uit Monster voerde voor 15.990 gulden de werkzaamheden uit. Daarna
was men redelijk tevreden over de toestand van de wegen.
In ongeveer 1880 is men overgegaan tot het aanleggen van paardenpaden van mindere kwaliteit gebroken stenen. Later is er veel kritiek geweest op deze steensoort, maar toch was de toepassing een belangrijke vooruitgang. Dat bleek later op minder vaak gebruikte weggedeelten, bijvoorbeeld die van Poeldijk naar Wateringen. Daar bleek het oude paardenpad namelijk nog in goede staat te verkeren. Veel later is er bestraat met op zijn kant gezette waalklinkers. En daarmee verdween zo langzamerhand een groot gedeelte van de platgestrate paden.
Maar hiermee was de onbegaanbaarheid van het wegennet nog niet opgelost. Dat weet de in 1905 in Wateringen geboren mevrouw A. van Velden nog maar al te goed. Sinds de jaren dertig is zij inwoonster van 's-Gravenzande.
Zij vertelt:
"Toen ik als kind met de fiets naar school ging, fietste ik zo goed en zo kwaad
als dat kon over zandwegen met een smal paardenpad in het midden, i waar de
stenen schots en scheef lagen. En als je een andere fietser tegenkwam, kon je
elkaar niet passeren en moest je uitwijken. Je kwam dan in putten en kuilen
terecht, die meestal vol met blubber stonden. Ik zal dat nooit vergeten. Alleen
hoefde je toen nog niet op het autoverkeer te letten en dat is tegenwoordig wel
anders".
Het leven ging door en ook het verkeer. De vrachten die werden vervoerd, werden almaar zwaarder en de klachten namen weer toe. In de loop van 1907 begon men lieverlee met de totale verharding van de wegen: er werd ook basalt gebruikt, al ! was dat mondjesmaat. Maar rond 1930 was de Monsterseweg tussen Poeldijk en Monster: nog, steeds een zandpad. En dat, is nog geen 70 jaar geleden!
Uit: Westlandsche Courant 17 juni 1997
Door: Bert Moor
![]()
Afscheid van een bijzondere leider in de tuinbouw.
De tuinbouwstreek het Westland wordt in het prille begin van het jaar 1933 opgeschrikt door het droevige nieuws dat Maarten van der Hout, een belangrijke Westlandse voorman in de tuinbouw, is komen te overlijden. Voor de begrafenis van deze voorman komen veel mensen uit alle delen van het Westland naar Naaldwijk.
Het is zaterdag 7 januari 1933. Een trieste winterdag. Er hangt een grauwsluier over het Westland. In de Naaldwijkse winkelstraten heerst weliswaar de gebruikelijke zaterdagmiddagdrukte en de mensen doen er hun inkopen voor zondag, maar op de Dijkweg, in de Molenstraat, de Julianastraat en de Geestweg is het veel. opvallend drukker dan anders tijdens het weekeinde. Een belangrijk man wordt ten grave gedragen.
Even over tweeën
beginnen de zware klokken van de oude Naaldwijk kerktoren op het Wilhelminaplein
plechtig te luiden. Overal staan groepjes mensen te wachten. In de verte klinkt
het paarden getrappel van de rouwstoet waarmee het stoffelijk overschot van
Maarten van der Hout naar zijn laatste rustplaats op de algemene begraaf- plaats
wordt vervoerd. Zwarte koetsen naderen, grote zwarte pluimen wiegen met de
paarden hoofden mee.
Enkele leden van het bestuur van de Bond Westland -het bindende element van de
twaalf Westlandse veilingen- hebben inmiddels de eenvoudige kist met het
stoffelijk overschot uit de werkkamer van de woning aan de Dijkweg naar buiten
gedragen naar de rouwkoets.
Zo wilde de
familie het graag en zo gebeurde het ook. Als een laatste stille hulde
aan de werkkracht van deze man. In deze kamer heeft hij immers de meeste
werkzaamheden ais secretaris van de Bond Westland verricht.
Kransen en bloemen bedekken de baar. Er vormt zich daarachter een lange stoet,
die langzaam door de Naaldwijkse straten trekt Naar het kerkhof waar Maarten van
den Hout door tal van sprekers wordt herdacht.
Twee jaar later werd hij voor het eerst gekozen tot bestuurslid van de veilingverenging Honselersdijk en in1914 nog eens tot voorzitter van deze veiling. Een functie die hij tot aan zijn dood heeft vervuld. De jonge voorzitter werd al snel geconfronteerd met de problemen, zoals het uitbreken van de eerste wereldoorlog en de daarop volgende mobilisatie. Elke veiling -dus ook de Honselersdijkse- kreeg al rap te maken met voedselschaarste. Van der Hout werd geconfronteerd met botsende belangen, maar wist daar vaak bevredigende oplossingen voor te vinden. De veilingen werden toen nog in het gebouw aan de Hofstraat gehouden. Maar toen dat veel te klein werd konden onder leiding van Van der Hout plannen worden uitgewerkt voor de nieuwbouw aan de Nieuweweg 10 Honselersdijk, die op3 juni 1927 kon worden geopend.
Van jongs af aan was hij als lid van de Vrijheidsbond bezig met oplossingen te zoeken voor politieke vraagstukken, zodat het voor de hand lag dat hij in 1918 werd gekozen als lid van de provinciale staten van Zuid-Holland. Hij beeft zich daarbij vooral ingespannen voor de verbetering van de wegen in het Westland. Sneller dan elders werden er nieuwe, brede asfaltwegen in onze streek aangelegd. De oude wegen werden -in afwachting van een reconstructie- voorlopig van een wat beter wegdek voorzien. Maar als het over wegen gaat, heeft Van der Hout zich vooral ingezet voor de plannen van Rijksweg 20A. En wat ook belangrijk is de waterwegen zijn daarbij beslist niet aan zijne aandacht ontsnapt. In 1924 werd namelijk een speciale commissie voor vaartverbetering in het Westland in het leven geroepen en hij had er zelf zitting in. Alleen trok de crisis van de jaren dertig een lelijke streep door deze rekening.
Zestien jaar
"Als de kapitein en de stuurman elkander niet begrijpen en elk een ander richting uitsturen loopt het schip gevaar te stranden. De kapitein en stuurman van den Bond hebben elkaar altijd goed begrepen, omdat bij elk hunner het belang van den tuinbouw en den tuinder individueel het uitgangspunt hunne. handelingen was"', schreef de Westlandsche Courant in 1933 vlak na zijn overlijden. Toen in 1927 de commissie voor Westlandsche Belangen werd opgericht om een nauwere samen. werking tot stand te brengen tussen de gemeenten en het Westland en zijn voornaamste bestaansbron de tuinbouw was het weer Van der Hqut die bereid was het, secretariaat op zich te nemen.
Dit alles is aan de groeve ter sprake gekomen, als tenslotte ds. J .P. de Graaft de lange rij van sprekers -onder wie burgemeester Elsen en bondsvoorzitter Barendse- besluit.
De belangstelling voor de begrafenis rondom de Algemene Begraafplaats van Naaldwijk is zo groot, dat er op de Geestweg zelf geen plekje meer te vinden is voor het parkeren van auto's. De politie, die het geheel in goede banen leidt, wijst zelfs de Opstalweg aan om de auto's neer te zetten.
Uit: Westlandse Courant 11 januari 2003
door: Aad van Holstein
![]()
Uit: Westlandsche Courant 18 januari 1994
Delft/Westland
Een ramp trof de vreedzame
broeders van het klooster Sion in die koude januarinacht van het jaar 1545. Nog
geen tien jaar na de enorme stadsbrand die Delft grotendeels in de as had
gelegd, viel ook Sion ten prooi aan de vlammen. 'Dair verbrande eerst die
voirkercke mit die outairen', noteerde een ooggetuige naderhand, 'het geheele
pant mit alle de cellen, het sieckhuys, die gastcameren, die boecken, den
reventer ende het vrouwenhuys':
Het stond voor de kloosterlingen al snel vast dat de brand was aangestoken. Ook de vermoedelijke dader diende zich snel aan: een van de bewoners, die in een vlaag van verstandsverbijstering zou hebben gehandeld. Hij kon vertrekken. De broeders gingen niet bij de pakken neerzitten, maar begonnen direct met de wederopbouw. Een onderneming die moeizaam zou verlopen. En dertig jaar later uiterst tragisch zou aflopen.
Niets nieuws
De stichters van toen waren afkomstig uit het Delftse Sint Hieronymusdal, een toen befaamd klooster aan de Oude Delft dat werd bewoond door een bont gezelschap vrome bewoners. Die leidden daar, in navolging van godsdienstvernieuwer Geert Groote, als leken een religieus leven, gevuld met gebed en werk. De broeders gaven bij voorbeeld les aan de Latijnse school in wat nog steeds de Schoolstraat heet.
Dit bijna kloosterleven was blijkbaar niet voor alle bewoners van Sint Hieronymusdal bevredigend. Een deel van de broeders verlangde naar een zuiverder en rustiger kloosterleven. Omstreeks het jaar 1432 namen zij het besluit om op eigen kracht verder te gaan, in een nieuw klooster.
Hun keus viel op een lap grond, even over de Kerstanjewetering, in Rijswijk. Daar zou een kloostercomplex verrijzen waar de monniken in alle rust tot God konden komen, door studie en gebed. Het duurde echter vele jaren voordat het onderkomen naar hun zin was. Nog in 1465 werd er gezaagd en getimmerd aan Sion, getuige een overeenkomst die bewaard is gebleven van de aankoop van een partij hout die vrij kwam bij de afbraak van het oude koor van de Nieuwe Kerk.
De kloosterlingen konden het zich wel veroorloven. Niet dat Sion echt rijk was. De collega's van het klooster Koningsveld aan de Rotterdamseweg hadden het beter. Maar door de landerijen die in hun bezit waren gekomen te verpachten, waren de broeders verzekerd van een geregeld inkomen waarmee ze de bouw konden bekostigen.
Verzet
Willem van Oranje ontpopte zich als leider van het verzet tegen de Spaanse politiek. En het was in zijn naam dat de Watergeuzen, onder aanvoering van de heer van Lumey, in de zomer van 1572 Den Briel innamen. Het eerste in een reeks van successen van de opstandelingen, die onvermijdelijk zouden leiden tot het einde van Sion.
Lumey, berucht om zijn wreedheden, begon in Brielle met een bloedige vervolging van katholieke geestelijken. Kort na de inname van de stad liet hij er negentien gevangen gezette monniken en priesters martelen en ter dood brengen, de 'Martelaren van Gorkum'. De geuzen trokken verder landinwaarts. Binnen enkele weken stonden ze voor de poorten van Delft. Omdat de Spanjaarden de stad hadden verlaten, waren de stadsbestuurders gedwongen Lumey binnen te laten.
De Lier
De monniken van Sion begonnen zich
ondertussen steeds ongemakkelijker te voelen. De kloosterlingen hoorden de
berichten dat de opstandelingen het klooster van Naaldwijk hadden geplunderd, de
kerk in brand hadden gestoken en de kerken van de Lier, 's-Gravenzande en
Monster zwaar hadden beschadigd. De pastoor en kapelaan van Monster zouden
bovendien zijn afgevoerd naar Brielle, waar ze waren vermoord.
De bewoners van Sion vreesden, niet ten onrechte, ook voor hun: eigen leven. Ze zochten daarom hun heil binnen de muren van Delft, waar ze nog enigszins werden beschermd, of vluchtten naar veiliger oorden elders in Holland.
Het klooster" bleef leeg achter. Vermoedelijk nog in hetzelfde jaar werd het klooster deels gesloopt, op last van de prins, om te voorkomen dat het complex zou worden gebruikt als uitvalsbasis voor Spaanse troepen. De Spanjaarden kwamen toch, en richtten de restanten van Sion in als bolwerk. Tot 1574, toen de bezetter alsnog zijn biezen pakte. De stadsbestuurders namen geen risico, en lieten direct de schansen slopen.
De monniken keerden er niet meer terug. De kloostergrond kwam in handen van de Staten van Holland, en werd verkocht aan particulieren. In de zeventiende eeuw verscheen op de plaats waar het klooster eens had gestaan nog een buitenhuis, dat eveneens Sion werd gedoopt. Een naam die nog steeds voortleeft in het buurtschap.
Van al deze bebouwing is in het huidige Sion biets meer terug te vinden. De restanten van de fundering die nog in de grond lagen zijn in 1980 vernield. Tijdens draineringwerkzaamheden voor een tuinbouwproject stiet men kort voor Kerstmis 1979 op de funderingen van het klooster en de buitenplaats. Men kreeg slechts enkele weken de tijd om de resten op te graven en in kaart te brengen.
Uitgegraven
Na het tekenwerk werden de
muurresten uitgegraven en afgevoerd. Met het puin verdwenen eveneens de
archeologische resten van het klooster. Vierhonderd jaar nadat de eerste slopers
de kloostermuren omtrokken was de afbraak van Sion in 1980 echt voltooid.
(Bronnen onder meer: J. W. Moerman, 'Het klooster Sion', en dr. B. A. Vermaseren, 'Het klooster 'Sancta Maria in Monster te Sion' tussen Delft en Rijswijk 1433-1574').
![]()
Dokter Griep jaagt prijzen bij veilingen op.
Uit: Westlandsche Courant
18-10-2003
Door: Aad van Holstein
Vijftig jaar geleden was hij plotseling een bekendheid in het Westland. Dokter Griep, geneesheer-directeur van het Delftse Groene Kruissanatorium. Als een gevierde held trok hij door onze streek en bezocht de ene veiling na de andere. Binnen veertien dagen wist hij twaalfduizend gulden bijeen te brengen voor een ontspanningshuis bij het sanatorium, dat tot 1968 als zodanig dienst deed en nu wordt gesloopt.
Missionarissen
en zendelingen wisten het al jaren: als je geld nodig hebt, moet je in het
vrijgevige Westland zijn. Dokter Griep trad in oktober 1953 met groot succes in
hun voetsporen en boekte in korte tijd veel succes. Het geld voor het
ontspannings huis zelf was er al, maar voor de inrichting kwam hij nog 20.000
gulden tekort. Hij had dat bedrag in minder dan geen tijd binnen door tijdelijk
de druivenprijzen tot ongekende hoogte op te jagen.
Voor de Tweede Wereldoorlog beschikte het Groene Kruis Sanatorium over 67
bedden, maar na de oorlog moesten het er 215 worden. In Delft en omliggende
dorpen, inclusief het hele Westland, waren alle tuberculosepatiënten (en dat
waren er nogal wat als gevolg van de oorlog) op het Delftse sanatorium
aangewezen. Van welke gezindte ze ook waren, ze kwamen allemaal bij elkaar te
liggen. Iets bijzonders, wam elke richting had wel zijn eigen ziekenhuis.
Het verblijf voor een kuur in het sanatorium was gemiddeld 600 uur. Dat bracht
enorme kosten met zich mee, zodat recreatie op de tweede plaats kwam. Maar
dokter Griep vond dat toch ook belangrijk. In het beoogde gebouw wilde hij
toneelgezelschappen laten optreden en er cabaret- en filmvoorstellingen laten
geven. Toen na veel vijven en zessen het geld voor de lokaliteit zelf eenmaal op
tafel was gekomen, bleef dokter Griep niets anders over dan er zelf op uit te
gaan om de rest erbij te bedelen. Hij ging direct aan de slag.
Oud-patiënten
Eerst riep hij op 22 september 1953 een aantal oud-patiënten terug naar het
sanatorium om hun steun te vragen. Die kwamen met het plan langs alle veilingen
een druiven tocht door het Westland te maken. Kistjes druiven moesten dan worden
verkocht voor het goede doel. Al op 5 oktober voeren de eerste schuiten met
kisten druiven ten bate van het Groene Kruis Sanatorium onder de klok door. Dat
was bij veiling Westerlee in De Lier, waar dokter Griep zelf aanwezig was. In de
twee voorafgaande weken hadden de oud-patiënten - met hulp van de postbode van
Westerlee - 243 kisten met de beste exportdruiven bij tal van tuinders los weten
te peuteren. De normale prijs van ongeveer 3,80 gulden per kist werd bij de
veiling volkomen genegeerd. De opbrengst werd zo op die ene dag al 2130 gulden.
Het waren niet alleen de handelaren die de klok omhoog joegen. "Kunnen de
tuinders mee kopen ?", riep een Westlander die ook zin had zijn steentje bij te
dragen. "Ja", werd er uit de koopmansbanken geroepen en even later zaten zowel
verscheidene tuinders als de kooplieden op de knoppen te drukken. En dat terwijl
een tuinder er normaal helemaal geen behoefte aan heeft druiven te kopen.
“Ik zal dit niet gauw vergeten", zei dokter Griep na afloop. "Ik ben er nog van
onder de indruk. Nagenoeg geen enkel kistje bracht minder dan tien gulden per
stuk op. Een van de kopers riep zelfs dat hij zijn gekochte druiven niet eens
wilde hebben. Ik mocht ze meenemen naar het sanatorium. En wat gebeurde: de een
na de ander volgde zijn voorbeeld."
Opkijken
Dokter Griep stond er helemaal van te kijken, toen één vrachtwagenchauffeur kwam
aanbieden de kistjes voor hem gratis naar Delft te brengen. Hij besloot toen de
druiven onder alle zieken inrichtingen van Delft te verdelen. Twee dagen later
was dokter Griep alweer in het Westland en wel bij de veilingen Woutersweg en
's-Gravenzande. Nu voeren de twee zusters van het Groene Kruis op de schuiten
mee, getooid met de Groene Kruisvlag. In de koopmanshal zorgden ze zo voor een
ongewone, maar zeer gewaardeerde ambiance. De 41 kistjes die zo bij Woutersweg
werden geveild brachten 440 gulden op. Maar daar liet veiling 's-Gravenzande het
niet bij zitten en veilde voor dokter Griep negentig kistjes druiven voor 1090
gulden.
Ook nu mocht de dokter de druiven houden en kon hij ook de patiënten van
ziekenhuizen in Den Haag en elders in het land er blij mee maken. De druiven die
in Poeldijk voor hetzelfde doel geveild werden, kwamen uiteindelijk in het
bekende weeshuis Groenestein in Den Maag terecht. In Naaldwijk werden vervolgens
nog eens 280 kisten geveild. Eigenlijk waren er minder kisten beschikbaar, maar
tot ieders plezier riepen de kooplui ga toch maar door met veilen. De druiven
werden immers toch weer weggegeven. Dat gebeurde ook en dokter Griep kon zo met
3550 gulden op zak huiswaarts keren. Ongeveer 160 kisten werden voor de tweede
keer geveild tegen een gemiddelde prijs van 4,40 gulden (wat zestig cent meer
was dan de normale prijs).
Plezier
Na Naaldwijk veilde Monster nog 80 kisten voor de recordprijs van 1660 gulden.
In Poeldijk deden 67 kisten 600 gulden. Later volgden veiling Zwartendijk,
Pijnacker, Delft, Kwintsheul en Honselersdijk nog. De Westlanders kregen er
steeds meer plezier in om dokter Griep de spullen voor zijn zo gewenste
ontspanningshuis te geven.
Op één veiling werd de veilingmeester gedwongen kistjes die minder dan tien
gulden opbrachten over te veilen. Daar stak vast wat rivaliteit achter ten
opzichte van andere veilingen, maar het goede doel heiligde ook deze wat
ongewone middelen. Een oud-patiënt van het sanatorium vond het zo'n aardige
actie dat hij duizend gulden aan de goedgeefsheid van de Westlanders toevoegde.
Een half jaar later had dokter Griep zijn doel bereikt.
![]()
Burgemeester bezweert Naaldwijkse oproer in zijn eentje.
Uit Westlandsche Courant
20-12-2003
Door: Aad van Holstein
In 1853 - dus ruim honderdvijftig jaar geleden - heeft Naaldwijk een burgemeester die zijn mannetje staat. J. A. van der Goes, bekend om zijn optreden tijdens het kermisoproer in 1854. De gemeenteraad vergadert dan nog in het oude raadhuis. Daar wordt in de loop van 1854 een besluit genomen dat gevolgen heeft voor het hele Westland.
De Herenstraat met uitzicht op 'De VerguldeValck', links op de hoek -niet zichtbaar op de foto- de herberg Jan de Waal.
Op een steenworp afstand van
het oude, uit 1688 daterende Naaldwijkse raadhuis staat halverwege de
negentiende eeuw nog 'De Vergulde Valck'. Misschien wel de oudste uitspanning
van Naaldwijk, want al in 1635 wordt zij vermeld inde rekening van de Heilig
Geest armen.
De armmeesters met hun vrouwen en de heren van het gemeentebestuur met hun
echtgenoten komen daar dan namelijk jaarlijks bijeen om er niet alleen de
rekeningen te controleren, maar er ook even flink 'mondost' tot zich te nemen.
Dat gebeurt dan ter bevordering van de onderlinge verstandhouding. Of de armen
daar ook weet van hadden, vermeldt de geschiedenis niet. Het café-restaurant en
logement ligt bij het begin van de Suytbuurt, dus waar nu de Koningstraat
begint. Gerekend vanaf het raadhuis kent deze straat in het begin van de
negentiende eeuw slechts vijf huizen tot aan de hoek van de Kerklaan. Vanaf deze
laan tot aan de Potterslaan staat maar één tuinders woning. Dit even voor de
beeldvorming. Bij het saneren van de woongelegenheid is menig oud stukje
Naaldwijk node, maar nodig, ook wel onnodig opgeofferd", schrijft V. Ph. Valstar
in zijn boek: 'Grepen uit Naaldwijks kerkelijk en gemeentelijk leven' over de
kern van deze gemeente. Aan actualiteit heeft deze bewering dus nog niets
ingeboet. De Koningstraat draagt zijn naam zeker al sinds 1828, hoewel de
bevolking het in die tijd altijd over het Katersend heeft. De Herenstraat heet
dan nog Langestraat, terwijl het huidige Wilhelminaplein eenvoudigweg met
Marktveld wordt aangeduid.
Patijnenburg
Vanaf het Marktveld is er een inrijlaan naar het buiten Patijnenburg, dat zelf
al in het begin van de negentiende eeuw onder de hand van de sloper is gevallen.
Is er van de Vergulde Valck, waar vele jaren het bekende slagersbedrijf van
Jansen in gevestigd is geweest, niets meer overgebleven, van de herberg Jan van
der Waal - het latere hotel Torenburg op de hoek van de Herenstraat en het
Marktveld - staat nog het nodige overeind.
Het altijd zo rustige plein is echter tijdens de Honselse kermis van 23
september 1953 het toneel van een rel, die Naaldwijk zich nog lang zal heugen.
“Het verloop van de kermissen was in die jaren door het weldenkende deel van de
gemeente met zorg toenemende afkeer gadegeslagen”, schrijft Valstar in zijn
boek, waarin hij meldt, dat het dan ook echt bij de beesten af was.
Regen, wind en knetterende onweersbuien teisteren het Westland als in
Honselersdijk een groep kermisgangers beschonken langs de straten trekken. Ze
joelen en schreeuwen en er spelen zich voor de nette burgerij 'ergerlijke
tonelen' af. Het is zelfs zo erg, dat een aantal vooraanstaande Naaldwijkers
besluit zich in een adres tot de gemeenteraad te wenden om zo te proberen de
kermis in Naaldwijk en Honselersdijk te verbieden. Burgemeester A. van der Goes
is het daarmee eens, maar voorziet dat een ander deel van de bevolking het wel
eens niet zo makkelijk zullen pikken. Hij treedt daarom in overleg met zijn
collegae uit de buurgemeenten en slaagt in de maanden voor de datum waarop de
eerstvolgende kermis in Naaldwijk zal worden gehouden - 2 juli 1854- er warempel
in om eenzelfde maatregel in heel het Westland ingevoerd te krijgen. ZO wordt
een gesloten front verkregen.
Rumoer
Naar mate deze datum nadert, gaat het onder de bevolking van Naaldwijk steeds
meer gisten. De ene na de andere pretmaker neemt een vrije dag, ondanks het feit
dat er officieel geen kermis is. De herbergen worden echter platgelopen. Er
wordt overvloedig geschonken en gedronken. Het rumoer op straat neemt gestaag
toe en vooral 's-avonds is het een drukte van belang. De burgemeester heeft wel
een paar extra politiemannen achter de hand, maar het gaat echter om twee
onbezoldigde rijksveldwachters van wie niet veel te verwachten is. Zijn eigen
korps bestaat uit twee agenten en een nachtwaker. Maar de onverschrokken
magistraat acht dit voldoende om de orde te kunnen handhaven.
Ondertussen meet het lawaai in het dorp flink toe en loopt de spanning op. Als
het sluitingsuur van de herbergen aanbreekt, geeft Van der Goes de agenten de
opdracht op controle uit te gaan en zo nodig cafés te ontruimen.
Overal gaat wen gedwee naar buiten, onder meer in de Vergulde Valck. Maar bij
Jan van der Waal gaat het anders. Daar stuit de politie op verzet. De gelagkamer
is gevuld met bezoekers en het lukt de politie niet ze naar buiten te krijgen.
Ze weigeren niet alleen de herberg te verlaten, ze dringen ook steeds meer op de
politie in. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de agenten onder de voet worden
gelopen. Dus trekken ze zich terug. Een kritiek moment, waarop de burgemeester
heeft gewacht. Hij is niet voor niets zeeofficier geweest en weet hoe hij
muiters moet aanpakken!. Met de ambtsketen om en een geladen pistool in zijn
zak, begeeft hij zich geheel alleen naar binnen en verzoekt de aanwezigen
terstond de herberg te verlaten én zich rustig naar huis te begeven.
Enkelen staan op en gaan naar buiten, waar de politie post heeft gevat. Maar een
paar jongelui blijven waar ze zijn. Totdat ook zij schoorvoetend wijken als de
burgemeester hen kalm gebiedt de tapperij te verlaten.
Maar de laatste is nog niet vertrokken en deur nog niet op slot gedaan of het
volk komt in opstand. Het begint zich op te dringen, terwijl de wildste kreten
("Slaat... de draàk maar dood!!") worden geuit. Ze willen weer naar binnen.
De burgemeester begrijpt, dat hij de toestand nu meester moet zien te blijven en
gaat daarom breeduit voor de deur staan. Tot driemaal toe sommeert hij het volk
zich niet tegen de sluiting te verzetten. Maar men blijft zich roeren en enkele
raddraaiers hebben het zelfs op zijn ambtsketen gemunt. Hij weet ze echter met
enkele welgerichte vuistslagen uit te schakelen.
Vuurpot
Als een van de muiters dreigt een vuurpot naar de burgemeester te gooien, grijpt
deze zijn pistool en dreigt de eerste de best die hem nadert neer te zullen
schieten.
Dit heeft eensklaps de gewenste uitwerking op de beschonken massa. Die trekt
zich terug en de burgemeester en de agenten sluitende herberg. IJlings te hulp
geroepen militairen hebben hierna een einde aan de relletjes gemaakt en de
grootste oproerkraaiers opgepakt Het optreden van de burgemeester maakt veel
indruk op de bevolking van het Westland. Er is nog. geen sprake van een gekozen
burgmeester, maar anders...
Wie nu wandelt langs de plek waar dit allemaal gebeurd is en zijn ogen laat dwalen in de richting van de Koningstraat, ziet heel anders dan I5O jaar geleden. Niet alleen het karakteristieke pand van wat ooit 'De Vergulde Valck' was, is al meer dan 40 jaar verdwenen, maar nu ook de daar achter gelegen smederij van Vogels en alles water nog omheen stond. Een kille vlakte vraagt nu om nieuwe bebouwing.
![]()
Al eeuwen lang zorgen over verkeer.
Uit:
Westlandsche Courant 1998
Foto: uit Westlandsche Courant
Westland
De Westlandse
wegen zijn al eeuwenlang een zorg. Dat blijkt althans in het boekje van' de
technisch hoofdambtenaar J. C. van Leeuwen dat hij in 1970 schreef onder de
titel 'De Wegen in het Westland'.
Een onderwerp dat nog geen dag aan actualiteit heeft ingeboet, getuige alleen al
de jongste publicaties over de 400 gevaarlijkste meters provinciale weg, die
langs de Molenlaan in Honselersdijk midden in het Westland blijken te liggen.
Het boekje van Van Leeuwen verscheen in een tijd, dat er ook al aardig wat
verkeer over die weg ging, maar natuurlijk aanzienlijk minder dan nu. In zijn
tijd stond het Westland nog aan het begin van 'De weg naar 1980', een boekje van
de hand van een andere Westlander, te weten W. Kemmers.
Daarin kondigde deze niet alleen verregaande veilingfusies aan, maar werd ook
gewezen op het feit dat als gevolg daarvan er in het Westland 'nog zeker 120
kilometer weg' moest worden aangelegd. Wegen, die wel ten koste zouden moeten
gaan van veel intimiteit en schoonheid tussen de oude tuinbouwbedrijven, maar
.die letterlijk voor de vooruitgang geboden waren.
Die vooruitgang was al sinds de Romeinen aan de gang. Van Leeuwen Vraagt zich in
het boekje dan ook af wat die in deze contreien wel 'gehad moeten hebben met het
verkeer'. Bodemkundig onderzoek in het Westland, verricht onder leiding van dr.
ir. Van Liere, heeft daar enig licht op geworpen. Uit vondsten die hij deed
werd het bewijs geleverd dat de zee, kort voor de Romeinse tijd, vanuit het
Estuarium (de Masemunde) 'een weg baande achter het duinlandschap om, tot
voorbij Delft'.
De wegen in Nederland, dus ook de Westlandse wegen, zijn van oudsher aangelegd
op plaatsen waar water en bodem dat toelieten. Alle hoofdwegen in het Westland
lopen daarom, globaal gezien, van zuidwest naar noordoost. Het is dus de
richting van de duinrij, de eb en vloedkreken met haar oeverwallen en de
bedijkingen, die dit stramien van wegen heeft doen ontstaan.
Wie een wegenkaart van het Westland van rond 1890 - dus ruim honderd jaar
geleden - onder ogen krijgt, ziet nog maar een beperkt net van verharde wegen.
Veel van die wegen waren naar de huidige begrippen in werkelijkheid slechts half
verhard. Maar omdat het Westland over veel waterwegen beschikte, was deze streek
helemaal ingesteld op het transport per schuit.
De mogelijkheden daarvan waren groot en het was ook voordelig. Zo
voordelig zelfs, dat tot
in de jaren twintig nog vaarsloten zijn gegraven. De twaalf (!) veilingen waren
daar ook helemaal op ingesteld met ruime havens en vaargeulen die tot langs de
koopmansbanken in de verkoopruimten liepen. De handel in groenten en fruit had
een geregelde dienst met grote (motor-) schuiten tussen het Westland en
Amsterdam, Rotterdam en andere steden
Wegenpatroon
"Het is dan ook
niet verwonderlijk dat er tussen de kaarten van Cruquius (1711), van de
Provinciale Staten (1846) en de wegenkaart van 1890 nog erg weinig aan het
wegenpatroon was veranderd", stelt Van Leeuwen in zijn boekje vast. Rond 1890
komt daar echter verandering in. De afzet en de aanvoer van materialen begon
zodanig grote vormen aan te nemen dat verbindingen langs de weg noodzakelijk
werden.
Langs de smalle wegen en door de dorpskommen werd daartoe rond 1890 een spoorweg
aangelegd. Zeker wat de afzet van producten naar Duitsland betreft, heeft de
stoomtram in een behoefte voorzien. Maar ook voor aanvoer van brandstof en
dergelijke was de tram van belang.
Het beroep schipper verdween. De oliemaatschappijen beëindigden het transport
van olie te water. De scheepswerfjes werden opgeheven of gingen zich wijden aan
de bouw van luxe jachten. Van Leeuwen: "Kortom de schuit gaat het Westland uit".
Eén voor één verdwenen ook de veilingen, opgaande in een groter geheel. De
bloemen werden nog maar op één punt, in Honselersdijk, aangevoerd.
In 1958 bleek uit een enquête dat er van de ongeveer 3500 bedrijven met een
gemiddelde oppervlakte van 1,2 ha dertig procent niet met eenvoudige middelen
van de openbare weg af was te bereiken. In de oude kern van het Westlahd (langs
de Gantel, de Booma Watering, de Nieuwe Vaarten en de Holle Watering) was dat
zelfs ongeveer tachtig procent.
Van Leeuwen geeft in zijn boekje een uitgebreide beschrijving van de wegen die
in het Westland in de jaren zeventig nog moesten worden aangelegd en die nu
belangrijke verbindingen vormen. Niet meer met veilingen, want die zijn
merendeels verdwenen, maar met de dorpskernen onderling.
Geen sinecure
Het ontsluiten van tuinbouwbedrijven was geen sinecure. Per hectare was men
40.000 tot 50.000 gulden kwijt, na aftrek van tien- tot twintigduizend gulden
subsidie. Het is geen wonder dat het wegennet door deze omschakeling extra werd
belast. En intussen werd de stoomtram ook nog eens uit het Westland verdreven.
"Er zijn grote offers gebracht. Offers niet alleen in geld, maar meer nog offers
ten aanzien van persoonlijke vrijheid. Nog enkele jaren en alle
tuinbouwbedrijven zijn uit hun isolement verlost", zo voorspelt Van Leeuwen in
zijn boekje.
En hoewel die voorspelling is uitgekomen, kan - bijna in het jaar 2000 - nog
steeds niet worden gezegd, dat het Westland nu zo'n optimaal wegennet heeft.
Ondanks allerlei ingrepen - verkeersrotondes en dergelijke - blijkt uit het
recente rapport 'Verkeersveiligheid provinciale wegen immers dat bijna alle
gevaarlijke wegen binnen Haaglanden in het Westland te vinden zijn.
![]()
Vorst overvalt het Westland in februari 1922
Uit:
Westlandsche Courant 2 februari 2002
Door: Aad van Holstein
Vroeger waren de winters altijd strenger, wordt er gezegd. In 1922 lijkt het er net als in 2002 op dat begin januari de ergste kou alweer achter de rug is. Net als dit jaar regent het heel die maand overvloedig in het Westland. Maar begin februari slaat Koning Winter ineens hard toe.
Westland
Het is zondag 5 februari 1922. Een vroege Westlander, die zijn neus buiten
de deur steekt - om naar de vroegmis te gaan of om andere reden buiten moet zijn
- merkt het meteen. De winter is terug. Onverwacht en in alle hevigheid. Het
vriest dat het kraakt.
In december heeft het ook al wel gewinterd, maar daarna is er wekenlang sprake
van wisselvallig weer. Het lijkt wel tachtig jaar later: er valt regen, heel
veel regen. In één nacht, vlak voor het invallen van de vorst, wordt in het
Westland zelfs 21 millimeter gemeten. Daar een vorst overheen geeft geheid
gladde wegen.
En hoewel er in vergelijking met 2002 op de Westlandse wegen nog maar heel
weinig autoverkeer is, verliest de - in De Lier zo genoemde -
'chocoladeauto' van de bekende Haagse firma Rademaker op weg van Poeldijk naar
De Lier de grip op de weg en maakt ter hoogte van de Rolpaal toch zo'n schuiver
dat hij van de weg afraakt en half boven het water blijft hangen. Het ziet er
even naar uit, dat de wagen voorlopig De Lier, waar de firma een werkplaats
heeft, niet zal bereiken. Maar de chauffeur kan ergens in Honselersdijk 'telephoneren'
en waarschuwt zo zijn baas in Den Haag.
Iedereen die in de buurt van het 'ongeluk' woont, weet al gauw schuifelend over
de beijzelde weg de plek des onheils te bereiken. Ze zien dan na geruime tijd
uit de richting Den Haag een wat grotere auto van Rademakers stapvoets over de
weg naderen. Het is de 'lastauto' van de firma. Sterk genoeg om zijn 'zusje' uit
haar benarde positie te takelen.
Vertraging.
Het omslaan van het weer van regen naar vorst komt de meeste Westlanders
helemaal niet gele, gen. Het betekent niet alleen vertraging in de arbeid, maar
ook in de groei. Vooral de tuinders vinden het jammer, ze verwachten immers 'Zo
graag wat begunstiging.
Maar de weergoden zijn onverbiddelijk. Het vriest de eerste dag en nacht al zo
hard, dat maandag 6 februari de vaarten compleet zijn dichtgevroren. En wie het
Westland van de jaren twintig kent, weet hoe belangrijk die vaarwegen zijn. De
Naaldwijkse Vaart mag dan richting Honselersdijk nog even door motorschuiten
worden opengebroken, de scheepvaart naar Poeldijk raakt al gauw geheel gestremd.
Zelfs de Gantel ligt dicht.
Werklozen
De strenge vorst leidt ertoe, dat overal in het Westland het werk stil komt te
liggen. In Monster wordt in de bouw net als in de tuinbouw al snel in het geheel
niet meer gewerkt. Het aantal werklozen loopt er dan ook ineens sterk op.
Een en ander heeft ook tot gevolg dat aan de tramhaven in Naaldwiik - dat is het
haventje dat in 1922 voor het slachthuis aan de Dijkweg ligt - zich al gauw een
lange rij kisten vormt met daarin teeltglas. Een van de kaden wordt er van het
begin tot het eind door in beslag genomen.
Hoewel motorschepen zich hier en daar nog gemakkelijk door het ijs kunnen
wringen en sommige tuinders stilletjes verwachten dat het ijs in hun vaart nog
wel gebroken zal worden, gebeurt dat in werkelijkheid niet en stagneert de
aanvoer bij de veiling Poeldijk. Dat gebeurt ook bij de meeste andere elf
veilingen in de streek. Omdat het echter volgens de kalender eveneens nog steeds
winter is en er weinig wordt geproduceerd, kunnen de meeste tuinders hun
producten tijdelijk opslaan om zo één keer per week naar de veiling te gaan.
Griepgolf
Als ze daartoe tenminste fysiek in staat zijn, want eind januari, begin februari
wordt met name Naaldwijk door een hevige griepgolf getroffen. Gelukkig niet zo
erg als de van de Spaanse griep een jaar of vier eerder, maar toch spreekt men
al allitererend van 'de griezelige, grissende griep, die gretig grabbelend grote
groepen grijpt'. De ziekte gaat gepaard met hevige koortsen, die de NaaldWijkers
echter als ze zijn uitgeziekt wel weer snel te boven komen. Hele gezinnen liggen
echter het enigszins goed is, ook nog eens duur betaald.
Vooral die maandag vlak na de inval van de vorst zijn de aanvoeren klein als
gevolg van het gesloten vaarwater. Slechts enkele veilingen kunnen hun producten
dan nog per motorschuit afvoeren, omdat daarvoor de hoofdvaarten door nogal wat
motorschuiten open gehouden worden. Hoewel verkeer te water die donderdag nog
steeds uiterst moeilijk is, zien toch sommige tuinders kans hun producten - soms
zelfs in sleeën over het ijs - naar de veiling te brengen. Zij zijn dan wel
verzekerd van een heel goede prijs. Spruitkool brengt per zak 17,70 gulden op.
Er is zelfs twintig gulden voorspeld. Dat zou heel aardig zijn, maar het zou wel
ongeveer een gulden per kilo inkoop hebben betekend. Duur voor 1922. Nieuwe
groenten worden maar weinig aangeboden, wel komen er hier en daar kelen ter
veiling.
Het winterweer houdt intussen aan, al zijn er wel - volgens weerkenners die het
zeggen te weten - moedgevende voortekenen, die op verandering wijzen. Algemeen
wordt sterk verlangd naar wat in die jaren wordt uitgedrukt als 'dienend weer'.
Veel tuinders vrezen dat bij het intreden van milder weer zal blijken, dat er
weinig over is van uitgepote vroege teelten.
Geschaatst
Honselersdijk heeft een tramhaven - de slotgracht bij het Hof - waar op zaterdag
11 februari druk wordt geschaatst. Dat hebben de bestuursleden van de
ijsvereniging Honselersdijk onder leiding van A. Vreugdenhil in orde gemaakt. Ze
hebben uiteindelijk dat werk zelf maar uitgevoerd, omdat zich geen werklozen
voor hebben gemeld om het tegen betaling te doen.
De Dijkers bezoeken hun thuisbaan massaal. Elke dag komen de bestuursleden terug
om de baan weer in orde te maken. Fijn voor de schaatsers van de Dijk, want de
buitenwateren zijn hoogst onbetrouwbaar. Het ijs is in de omgeving van het dorp
erg zwak of te ongelijk van oppervlakte als gevolg van het breken. Zo kan de
Strijp in het geheel niet worden bereden per schaats wegens onbetrouwbaar ijs en
stroomgaten. In de richting Poeldijk ligt echter mooi ijs, ongebroken en stevig,
al moet je bij sommige bruggen wel uitkijken.
Lichtbeelden
Door het onderlopen en weer opnieuw bevriezen verbeteren de banen snel. Als J.
Keijser in 's-Gravenzande bij de vereniging 'Ontwikkeling' een lezing wil geven
over Tirol en Wenen, compleet met mooie lichtbeelden, komt er bijna niemand
opdagen. Alleen een paar opgeschoten jongens van zestien jaar, die er gratis in
mogen. Leden die anders zo trouw komen zijn, zo wordt verondersteld, vast op het
ijs in de weer.
Daar nemen inderdaad 28 schaatsers deel aan een door de 's-Gravenzandse
IJsvereniging uitgeschreven wedstrijd ringsteken op de schaats. De eerste prijs
- ieder een paar schaatsen - wordt gewonnen door het koppel Adr. van der Ende en
Mej. Van Oosten: Ook al is het een mooi gezicht om schaatsers over de Westlandse
vaarten te zien rijden, de tuinders zien er liever scheepvaartbeweging.
Maandagmiddag 13 februari valt de dooi in. De winter is daarna gauw vergeten,
men praat volop over de zomertijd. In dit geval niet wat het weer aangaat, maar
meer over het jaarlijks manipuleren van de klok. En dat is iets waar je in 1922
bij de Westlandse tuinders beslist niet meer mee moet aankomen.
![]()