
|
|
|

Veiling Zwartedijk 1945
Deze foto ontvingen we van Hans Rebers op 23 december 2006, waarvoor onze
hartelijke dank.
Naaldwijk heeft een rijke historie. In 1998 werd het 800-jarig bestaan gevierd. Hieronder leest u in vogelvlucht de geschiedenis van Naaldwijk.
| 1198 Eerste vermelding van de plaatsnaam Naaldwijk in charter Graaf Diederick VII |
| 1307 Stichting van het Kapittel van Sint Adriaan door Willem I Heer van Naaldwijk |
| 1345 Willem I van Naaldwijk sneuvelt bij Stavoren in een gevecht met de Friezen |
| 1369 Uitbreiding Kapittel van Sint Adriaan door Willem II van Naaldwijk |
| 1472 Kerkgebouw door brand verwoest |
| 1485 Geboortejaar van Martinus Dorpius, de latere hoogleraar in de wijsbegeerte |
| 1496 Stichting vijf oude mannenhuisjes (Heilige Geest) door Hendrik van Naaldwijk |
| 1550 De Heerlijkheid Naaldwijk komt in handen van de Van Arenbergs |
| 1561 Keuren van Naaldwijk |
| 1612 Vereniging van de Ambachts- en de Hoge Heerlijkheid onder het Huis van Oranje |
| 1620 Verbouwing slot Honselaarsdijk door Frederik Hendrik |
| 1627 Frederik Hendrik stelt gelden beschikbaar voor de bouw van het Heilige Geest Hofje |
| 1691 Koning-Stadhouder Willem III landt in de Oranjepolder |
| 1702 De Heerlijkheid Naaldwijk komt in handen van Frederik I van Pruisen |
| 1754 De Heerlijkheid Naaldwijk komt weer in het bezit van het Huis van Oranje |
| 1795 Slot Honselaarsdijk wordt nationaal eigendom |
| 1815 Afbraak slot Honselaarsdijk |
| 1849 Grote cholera epidemie met een totaal van 259 sterfgevallen (7,5 % van de totale bevolking) |
| 1898 Invoering elektrische straatverlichting |
| 1955 Beheer Heilige Geest Hofje wordt overgedragen aan de gemeente |
| 1998 Naaldwijk viert 'Naaldwijk 800 jaar in bloei' |
|
|
|
![]()
Uit: Westlandsche Courant, zaterdag 4 mei 2002
Door: Aad van Holstein
Tal van villa’s in Naaldwijk worden in de Tweede Wereldoorlog gevorderd voor inkwartiering van Duitse officieren. Al in 1938 gefotografeerd door een Duits dienstmeisje uit Den Haag, dat veel architectonische belangstelling lijkt te hebben.
Naaldwijk - Zeven jaar geleden verscheen ter gelegenheid van het 50ste bevrijdingsjaar in Naaldwijk het belangwekkende boek; Gemeente Naaldwijk 1940-1945. Een aaneenschakeling van authentiek vastgelegde gebeurtenissen uit het leven in deze gemeente van voor, tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Voor degenen die de oorlog al of niet bewust hebben meegemaakt is het niet alleen een boek om in één keer uit te lezen, maar het daarna nog vele malen ter hand te nemen. Zeker in de jaarlijkse meidagen van herdenking van bezetting en bevrijding.
Veel Westlanders zijn door de projectgroep in de gelegenheid gesteld om in de periode waarin dit boek tot stand kwam hun herinneringen aan de oorlogsjaren te ventileren. Veel van dat materiaal is ook werkelijk in het boek terechtgekomen. Bij het lezen ervan zijn mij enkele passages opgevallen, die voor mij aanleiding werden dit artikel te schrijven, al doe ik het wel met enig voorbehoud. Ik was pas drie jaar toen het allemaal begon en veel weet ik slechts uit verhalen. Maar toch kan ik mij uit 1938 - datzelfde jaar - nog haarscherp herinneren hoe bijvoorbeeld het feest rondom het 40-jarig jubileum van Koningin Wilhelmina werd gevierd. Met onder meer een allegorische optocht die ik op het Wilhelminaplein voorbij zag trekken. Een feit dat ook echt heeft plaatsgevonden. Vandaar dat ik het waag ook andere dingen die ik mij herinner te vertellen.
Verraden.
Uit het boek en vooral uit een van de voetnoten daarin blijkt, dat men in
het Westland in de eerste oorlogsdagen het gevoel had verraden te zijn. Hoe dat
precies is gebeurd, blijft erg vaag. En wat ik weet brengt misschien wat meer
helderheid.
In het boek staat, dat een prominent NSB’er ervan verdacht werd op een middag in de jaren voor de oorlog, samen met een partijgenoot, bezig te zijn geweest aan de hand van grote landkaarten de komst van de Duitse legers voor te bereiden. In 1941 deed eveneens volgens het boek een Rijksdu8tse schoenmaker uit Honselersdijk zijn beklag over verminderde omzet, vanwege lasterpraatjes, waaruit zou moeten blijken dat hij in het Westland ‘alles zou hebben verraden’. Ook zou een tuinder een wel opvallend grote antenne op het dak van zijn huis hebben gehad.
Maar ook van buiten is in het Westland gespioneerd. Zoals door Bertchen (Muller?). tante Bertha, zoals wij haar noemden. Een ‘tante’ waar mijn familie voor het najaar van 1938 echter nog nooit van had gehoord. Scherp kan ik mij haar nog voor de geest halen, ook al was ik toen nog zo jong. Donkere, felle ogen, strak achterovergekamd ravenzwart haar met een knoet van achteren. Ik zag haar voor het eerst toen ze bij ons in de Martinus Dorpiusstraat 10 binnenstapte. Met een doos gebakjes, gekocht bij brood- en banketbakker Van Zwieten de Blom in de Molenstraat. Daarmee begon ze ons in te pakken. "Ik schrok van haar en zij van mij", vertelde mijn moeder mij later en dat zou de hele afloop ook goed kunnen verklaren.
Dienstmeisje.
Dat ze op een dag met de bus van Den Haag naar Naaldwijk was gekomen, had
een kleine voorgeschiedenis. Mijn tante Marie de Groot, een oudere zuster van
mijn moeder, woonde toen in de Amalia van Solmsstraat in Den Haag, waar ze
huishoudster was van een goede familie. Naast haar woonde net zo’n familie met
wie mijn tante blijkbaar goed overweg kon. Die familie had weer een Duits
dienstmeisje over de vloer en dat was Bertchen uit Duisburg.
Toen zij hoorde, dat mijn tante familie in het Westland had wonen, liet ze prompt weten dol te zijn op de Westlandse druiven en dat ze zo graag eens een tijdje in Naaldwijk zou willen logeren. Mijn moeder vond dat wel leuk, maar maakte de fout niet eerst met het meisje kennis te maken, iets waar ze later spijt van kreeg.
Bertchen - die al meteen niet in de smaak viel - hield zich de eerste dagen echter heel erg koest. Maar allengs ontpopte zij zich als een uiterst dominante tante. Ze was - gelukkig voor mijn moeder, want dan was ze even het huis uit - dol op wandelen en nam mij dan vaak aan de hand mee. Ik herinner me dat we met de bus naar Honselersdijk gingen en daar over het Poeldijksepad gingen wandelen. Een andere keer picknickten wij in het Staelduinse Bos of gingen ‘zonnen’ op het strand van Hoek van Holland, waar ze het Fort en alles daaromheen natuurlijk heel interessant vond. Dat zou allemaal nog niet zo bijzonder zijn geweest, als zij niet voortdurend haar fototoestel bij zich had gehad. Ze fotografeerde er lustig op los, legde van alles vast, maar kiekte nooit mij of mijn ouders (De Hoek en het Staelduinse Bos speelden in de twee jaar later uitbrekende oorlog een uiterst belangrijke rol vooral later de Atlantikwal betreft. Het gebied was dan ook al gauw bezaaid met bunkers en versperringen en voorzien van een tankval).
Villa’s.
Tijdens een wandeling door Naaldwijk stond ze vaak stil bij de mooiste
villa’s. Op de Geestweg bij ‘Onder ‘t Stroodak’. "O, wat een prachtige woning
met een mooi rieten dak", zei ze dan. Mijn vader, die een bekende Naaldwijkse
postbode was en alle adressen uit zijn hoofd kende, wist dan bijvoorbeeld dat
K.V. Kuyvenhoven daar de eigenaar van was. Het leek wel of Bertchen speciale
architectonische belangstelling had. Zo koos zij de fraaiste panden uit om ze
voor de eeuwigheid - of naar later bleek tenminste voor de zeer nabije jaren -
op het celluloid vast te leggen.
Naarmate ze langer bij ons verbleef, ging ze zich tot ergernis van mijn moeder steeds brutaler gedragen. Ook buiten de deur. Bij slager Jansen op de hoek van de Koningstraat en de Prins Hendrikstraat - een eeuwenoud pand - bestelde ze op een dag ter traktatie het mooiste vlees dat in de vitrine lag en gaf de slager vervolgens met luide stem opdracht dat in de gehaktmolen te stoppen. Jansen vond dat maar niks en liet zich ontvallen: "Weet je wie we in die gehaktmolen moeten stoppen? Die Hitler van jullie!". Later in de oorlog vroeg hij mijn moeder of ze nog wel eens iets van Bertchen had gehoord, alsof hij hem toch wel een beetje kneep dat hij dat had gezegd.
In ons huis begon Bertchen zich ook steeds meer met van alles te bemoeien. Ze maakte aanmerkingen op wat mijn moeder al of niet aan het huishouden had gedaan en zette te pas en te onpas de kort tevoren door buurman Cor de Gier voor ons in elkaar gezette - en dankzij ambtenaar Van Densen nooit ingeleverde, tot eind jaren vijftig schitterend spelende! - radio aan om naar toespraken van Hitler te luisteren. Mijn moeder zette dan resoluut de radio (‘die schreeuwlelijk’) af of draaide hem op een andere zender. Dat gaf natuurlijk steeds meer spanningen.
Op een middag keek Bertchen uit het dakraam van haar kamer zo de Martinus
Dorpiusstraat in waar op dat moment een groenteman passeerde van wie ze net had
gehoord dat hij een Rijksduitser was.
Ze bracht hem ineens de Hitlergroet en riep: "Heil Hitler!", waar de man uiterst
verbouwereerd op reageerde. Mijn moeder die dat beneden zag gebeuren heeft haar
toen ogenblikkelijk de wacht aangezegd.
Vertrokken.
"Ik kon dat mens niet meer uitstaan", vertelde ze later vaak. Ze vertrouwde
haar steeds minder en vooral dat optreden vanuit het raam had bij haar voorgoed
de deur dichtgedaan. Min of meer halsoverkop is Bertchen die dag uit Naaldwijk
vertrokken en heeft later vanuit Duisburg nog één brief gestuurd. Die heeft mijn
moeder lang bewaard, maar in de nalatenschap heb ik hem niet meer terug kunnen
vinden. Wat erin stond weet ik niet meer, behalve dan dat ze informeerde naar
‘die Kleine’, het kind dat mijn moeder in juni 1939 ook inderdaad heeft
gekregen.
Een jaar later was het al volop oorlog en werden alle mooie, grote villa’s die Naaldwijk rijk was door de bezetter gevorderd voor het inkwartieren van officieren. Of daar ook het huis van dominee Lamping aan de Dijkweg bij was weet ik niet, maar het was wel schitterend gelegen in de punt van de spoorbaan en de rijbaan. In een dolle bui - maar zich daarmee achteraf wel als spionne verradend - had ze nog gezegd dat dit onze toekomstige woning zou worden. "Als Hitler er maar eenmaal zou zijn".
Haar aanwezigheid in het Westland bevestigt overigens wel weer het verhaal, dat Duitse dienstmeisjes waarvan er in Den Haag nogal wat rondliepen, zich niet allemaal uitsluitend met stof afnemen en het dagelijkse potje koken hebben beziggehouden.
![]()
Oprichting proeftuin Westland in 1900
.De proeftuin Westland uit 1926, was de oude naam voor het Proefstation voor de Tuinbouw onder Glas.
Naaldwijk - Op het einde van de vorige eeuw was de tuinbouw in ons land volop in beweging. De boeren hadden juist, in bittere armoede, de crisis van 1880 meegemaakt. Ze beseften dat er iets moest veranderen. Er kwam snel meer glas. De eerste siergewassen werden geteeld en men maakte kennis met gewassen, die nauwelijks bekend waren, zoals tomaat, maar ook paprika, aubergine en Spaanse peper. Het waren de leraren die de tuinders iets konden vertellen over geheel nieuwe zaken, zoals kunstmest en de mogelijkheden van onbekende gewassen. In 1896 werd C.H. Claessen benoemd tot tuinbouwleraar voor het Westland en ruime omgeving. Hij had tot taak de telers voorlichting te geven en onderzoek te verrichten. Daarnaast kreeg hij een taak aan de in 1896 te Naaldwijk gestichte Rijkstuinbouw-winterschool.
Maar men maakte de Westlander niet zo gemakkelijk iets wijs. Hij wilde het eerst zien en meemaken. De gedachte kwam op om een proeftuin te stichten. In de vergadering van 1 maart 1989 in lokaal Overheide in Monster een besluit genomen door de vier afdelingen van de Vereniging Westland. Sommige tuinders vonden het idee maar niks. Ze wilden niet meebetalen. Ze hadden liever een lager veilingpercentage.
Zij vormden echter een minderheid. Met 316 tegen 85 stemmen werd besloten om voor 30.000 gulden een modeltuin aan te leggen. Kwekers konden aandelen kopen van de stichting Proeftuin Westland en daarmee het recht krijgen de tuin op alle werkdagen te bezoeken. Met het geld werd in november 1900 een tuin aangekocht aan de ‘s-Gravenzandseweg in Naaldwijk, op de plek waar nu het politiebureau Westland-West staat. Deze tuin was 2,25 ha.
In de zomer van 1901 werden al rasvergelijkingen gedaan bij meloenen. Vijf komkommerrassen werden vergeleken. Aspergebedden werden aangelegd en vruchtbomen aangeplant. In een kasje van loden ramen werden tomatenrassen geprobeerd. Met trots kon het bestuur in het eerste jaar melden dat op een tentoonstelling in Amsterdam voor meloenen, komkommers en peulvruchten drie eerste prijzen in de wacht te slepen !
In het verslag van 1903 trok men duidelijk als conclusie ‘dat nu wel bewezen is dat ook met kunstmest goede meloenen en komkommers kunnen worden geteeld’. In 1904 begon men voor het eerst met het verlaten van druiven. De Gros Colman bleef aan de boom tot de laatste dag van het jaar’ direct na Nieuwjaar werden de laatste druiven aan Hare Majesteit de Koningin aangeboden. In de zomermaanden van 1908 werd het mogelijk het telegrafisch uit Den Bilt ontvangen weerbericht steeds ‘s middags op het Wilhelminaplein te Naaldwijk aan te pakken.
Een curieus experiment werd in 1909 gehouden. Het besluit werd genomen om proeven te nemen met elektriciteit. Middels een ingewikkelde bouw werd dan een gedeelte van de tuin onder invloed gebracht van de elektrische straling. De straling zou de groei van de gewassen ten goede komen. De resultaten bleken met deze apparatuur nihil te zijn. Spoedig daarna werd de boel opgeruimd.
In 1910 werd besloten tot de bouw van een warenhuis voor tomaten. Met de bouw van een warenhuis van 640 Westlandse ramen, kwam er ook een verwarmingsinstallatie voor stookbak en serre en een waterleiding met stenen watertoren. Zeer vooruitstrevend nam men een eerste proef met assimilatiebelichting. In 1913 hing men een kwikdamplamp bij de druiven, waar men ijlings moest stoppen, omdat het effect averechts bleek: de bladeren begonnen te verschrompelen.
Grondverwarming
Veel succes had men echter met grondverwarming. Daarvoor werd een
stoomketeltje aangeschaft. De stoom werd met drainkokers in de grond gebracht.
Men had goede resultaten met komkommer, meloen, asperge en postelein. Het bezoek
aan de tuin was groot. Uit het hele land kwamen telers een kijkje nemen. Er kwam
ook hoog bezoek: de Koningin kwam tweemaal op bezoek, in april 1914 samen met
prins Hendrik, die tegelijk het lidmaatschap van de Proeftuin.
De goede tijden voor de Proeftuin gingen langzaam over in een periode van stilstand en achteruitgang. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog heerste in het begin van 1915 uitzonderlijk veel pessimisme. De prijzen van de artikelen waren hoger geworden, maar de tuinbouwproducten brachten veel minder op. Het proefstation durfde men geen uitbreiding meer aan.
Van onderzoek kwam niet veel meer terecht. Door gebrek aan brandstof werd niet meer gestookt. Vorst en onweer brachten veel schade toe aan de fruitbomen op het terrein aan de ‘s-Graven-zandseweg. De directeur houdt zich vooral bezig met lesgeven en het schrijven van boeken. De proeftuin lijkt na 1924 vrijwel geheel op non-actief te staan.
De financiële toestand werd onhoudbaar. Directeur K. Wiersma nam in 1924 ontslag. Het bestuur zag de toekomst somber in en deed het voorstel om de tuin te liquideren. En spoedig einde van de proeftuin leek nabij. Tot grote verrassing waren de leden het niet mee eens met de opheffing. Het voorstel werd op de (slecht bezochte) ledenvergadering verworpen met vijftien tegen twaalf stemmen. Een nieuw gekozen bestuur onder voorzitterschap van N. Barendse, trad aan. Dit bestuur ging voortvarend te werk. Tuinbouwleraar J.M. Riemens werd benoemd tot nieuwe directeur. De financiële situatie van de proeftuin verbeterde, omdat het bestuur afstand deed van haar vijf gulden presentiegeld per vergadering en de leden 2,50 gulden contributie gingen betalen.
Tegelijk besloot men de tuin te verkopen. Veiling Naaldwijk kon de grond goed gebruiken voor uitbreiding. Met de opbrengst werd even verderop de tuin van A. Groenewegen aan de Zuidweg gekocht.
Men wilde het nieuwe bedrijf werkelijk als proeftuin inrichten. Men bouwde een kantoor, laboratorium en bedrijfsschuur en ook een kleine proevenkas. De proeftuin plantte vooral tomaat en paprika. Geen vollegrondsfruit meer, dat in korte tijd in de streek van weinig betekenis was geworden.
Op 15 juli 1925 werden de nieuwe gebouwen van de verplaatste proeftuin officieel in gebruik genomen, onder grote belangstelling van burgemeester, veilingbesturen, vertegenwoordigers van het Centraal Bureau van Tuinbouwveilingen, de bond Westland, De heer J. Barendse, voorzitter van de Bond Westland, verrichtte de openingsplechtigheid.
Met veel energie werden nieuwe activiteiten ter hand genomen. Tuinders hadden veel vragen over bemesting en verzouting van de grond. Veel aandacht ging naar rasvergelijkingen bij tomaat. In een proef in dat jaar met zeventien rassen kwamen Tuck Star en Ailsa Craig het beste uit de bus met een productie van respectievelijk 3,4 en 2,5 kilo per plant. De problemen van meeldauw bij tomaat, vruchtvuur bij komkommer en de werking van broeivuren werd aangepakt.
De aaltjesziekte stak de kop op in de tomatenteelt, maar daar werd bij de proeftuin iets op gevonden. In 1926 lukte het de proeftuin om in grote houten bakken de grond te stomen. De belangstelling van bedrijven was zo groot, dat twee firma’s het werk startten als loonstomers.
Toekomst
Al met al was de basis gelegd voor een almaar groeiende kennis van de
tuinbouw. Naderhand werd begonnen met grondonderzoek, dat later een bloei zou
doormaken. De testen van gewasbeschermingsmiddelen namen uiteraard ook steeds
toe in belangrijkheid. De voorlichting breidde in 1941 zelfs enorm uit van 8 tot
23 personen.
Vooral in de jaren 1954-1964 is sprake van een stormachtige expansie van het proefstation. De groei kwam overeen met de enorme uitbreiding van het glasareaal in het Westland.
Heden ten dage is het terrein van het Proefstation voor de Tuinbouw onder Glas (PTG) uitgegroeid tot bijna zeven hectare waarop gebouwen en circa 35.000 m2 kassen staan. Een aantal kassen is speciaal gebouwd en ingericht voor onderzoek naar gesloten bedrijfssystemen, plantenvoeding en zouteffecten, kasklimaatregeling, grondkoeling, verdamping, luchtvochtigheid en dergelijke. Het proefstation heeft circa 140 medewerkers. Hiervan is 55 procent opgenomen in de onderzoeks-afdelingen, de overige hebben een plaats in de ondersteunende diensten en de dienstleiding.
Op het terrein zijn tegenwoordig nog vier andere, aanverwante organisatie gevestigd. Deze zijn de afdeling glasgroente en bestuiving van het Informatie en Kennis Centrum voor de Akker- en Tuinbouw (IKC), de Dienst Landbouwvoorlichting (DLV), het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek (BLGG) en de Stichting Regeling Handelspotgronden (RHP). Het nauwe contact met deze organisaties bevordert een snelle doorstroming van informatie van en naar de praktijk.
De verspreiding van de Westlandse glastuinbouw over heel Nederland, heeft in de toekomst ook gevolgen voor het proefstation. Het Naaldwijkse proefstation is bezig met een fusie met het proefstation voor de bloemisterij in Aalsmeer. Het proefstation zal de komende tien jaar nog zeker in Naaldwijk blijven, maar er is nog discussie gaande over een verplaatsing naar Haarlemmermeer.
Zeker is dus wel dat het proefstation in Naaldwijk haar honderdjarige bestaan zal vieren.
De tekst is mede gebaseerd op het boekje ‘75 jaar onderzoek in Naaldwijk’ door ing. P.A. Kruyk.
Uit: Westlandsche Courant Dinsdag19 juli 1994
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Karakteristieke villa aan de ‘s-Gravenzandseweg.
Monument of niet ? De Westlandsche Courant brengt deze zomer (1999) de bouwwerken in beeld die in aanmerking komen voor de status van rijksmonument. Oordeel alvast zelf.
Naaldwijk - De villa op het adres ‘s-Gravenzandseweg 77 is een van de mogelijke Naaldwijkse monumenten. De karakteristieke vormgeving leidde tot plaatsing op de gemeentelijke lijst.
Het woonhuis is gebouwd in 1935 op een fraaie locatie aan het water. Vroeger lag de veiling van Naaldwijk tegenover de woning. Tegenwoordig staat op die plaats het politiebureau.
Het is niet verwonderlijk dat het huis destijds zo dicht bij de veiling is gezet. De villa werd namelijk in opdracht van Jan Steenks gebouwd. Steenks was betaalmeester van de veiling in Naaldwijk. Hij genoot daardoor veel aanzien in de gemeente en was daarnaast ook bekend door zijn activiteiten voor de kerk. De meeste Naaldwijkers kennen Steenks echter van de veiling. Hij stond bekend als akelig precies wanneer het om geld ging maar hij was ook goed van vertrouwen.
Deze markante man was niet bang om zijn nek uit te steken en liet een opvallend huis bouwen. Destijds leverde het ontwerp de nodigde gespreksstof op. De commotie is wel enigszins te begrijpen. Het ontwerp was onvergelijkbaar met de overige huizen in de omgeving en heeft wat Indische invloeden, zoals de veranda en het dak.
Het dak heeft een grote overhang en bestaat uit twee trappen. Het eerste gedeelte van het dak dekt een deel van de begane grond af. Het andere gedeelte bevindt zich op de nok van het huis.
De overkapping van het onderste dakgedeelte wordt omhoog gehouden door een aantal kleine zuilen die het geheel een sierlijke maar weinig functionele uitstraling geven. Onder de overhang is een veranda ingericht.
Doordat het dak al schuin loopt naar de begane grond, is de bovenverdieping veel kleiner dan de bovenverdieping. De begane grond is ruim en door de vele ramen licht. De L-vormige woonkamer is voorzien van een verhoging en een serre.
Een mooi detail wordt gevormd door de glas-in-lood-ramen. Enkele bovenlichten en om de hoek doorlopende raampartijen zijn op deze wijze uitgevoerd. Het huis wordt sinds 1962 bewoond door de familie Disselkoen. Zij hebben de oorspronkelijke staat van het huis niet verandert.
Eigen foto van 24 april 2001. De villa aan de ‘s-Gravenzandseweg
werd destijds gebouwd in opdracht van de betaalmeester van de veiling.
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Honderd jaar tuinbouwonderwijs.
‘Dan word je desnoods maar tuinder’
Enkele leerlingen van de tuinbouw wintercursus voor de school (midden) in 1915, rechts de directeur, de heer K. Wiersma.
Westland - Menig tuinderszoon in het begin van de twintigste eeuw kreeg de kennis over planten en bloemen gewoon van zijn vader geleerd. De school was in die tijd vaak alleen weggelegd voor de gegoede burger en meestal niet voor gezinsleden van een tuinder, want die moesten in drukke tijden bijspringen op het bedrijf. Toen in 1889 de Vereniging Westland werd opgericht en de Wateringer Harry Hoek voorzitter werd, gingen er stemmen op om het tuinbouwonderwijs te verbeteren. In verband met de oogsttijd besloot men tot het stichten van een middelbare tuinbouwwinterschool, waar jonge mannen de theorie en praktijk van het vak konden leren.
De rijkstuinbouwwinterschool werd in 1896 onder druk van de Vereniging Westland een feit. De gemeenteraad van Naaldwijk besloot in de zitting van 22 januari 1896 met algemene stemmen om de regering te verzoeken een tuinbouwschool te vestigen. Op dit verzoek werd positief gereageerd, alleen moest Naaldwijk wel zelf voor ruimte zorgen. De gemeenteraad besloot de school te vestigen in een oud gebouw aan de Vaart, gelegen aan de oude, thans gedempte haven.
Het was een armoedige boel en wegens de bekrompen ruimte kon men maar eenmaal per twee jaar leerlingen aannemen. Op 28 oktober 1896 werd er bij de oprichting van de school toelatingsexamen gedaan door elf jonge mannen. Tien van hen slaagden voor het examen dat directeur C.H. Claassen hen afnam. In maart 1898 kregen de eerste afgestudeerde studenten het felbegeerde diploma. Dit waren P. Van Ruijven, W. Meijburg, G. Hanemaaijer, J.P. Valstar, W. Vellekoop Mzn. En W. Vellekoop. In december 1900 besloot de raad tot stichting van een nieuwe school, indien de Westlandse gemeenten hieraan hun medewerking zouden geven. Dat gebeurde en de school werd gevestigd in twee lokalen van de toenmalige Christelijke School aan de Dijkweg in Naaldwijk.
De Rijkstuinbouwwinterschool (RTWS) had nauwe banden met de Proeftuin in Naaldwijk. De leerlingen van de school kregen praktische vorming bij de proeftuin en de directeur van beide instellingen was in die beginjaren een en dezelfde man. Bekende namen hierbij waren K. Wiersma en later Ir. J.M. Riemens. Beide mannen waren grote voorvechters van het tuinbouwonderwijs en stonden zelf ook voor de klas.
De school had het in de beginjaren beslist niet makkelijk. Veel tuinders zagen het nut er niet van in om hun zonen naar de avondcursus te sturen. Al was het onderwijs bewust opgezet voor de Westlanders, deze groep was vrijwel niet aanwezig in de schoolbanken.
Veldstudenten.
De school werd begin 1900 voornamelijk bevolkt door de zogenoemde
veldstudenten. Jongens uit het hele land die - soms van goede huize - naar de
school werden gestuurd om dan maar tuinder te worden. Het vak had in die tijd
een beetje het predikaat ‘als je het helemaal niet meer weet, word je maar
tuinder’. Zo kwam het dat in Naaldwijk en omgeving verschillende jonge mannen
uit Groningen, Friesland of andere provincies in de kost zaten, overdag bij een
tuinder werken en ‘s avonds naar de avondschool gingen.
"De meeste jongens op school kwamen niet uit het Westland", vertelt de nu 96-jarige W. Vellekoop uit ‘s-Gravenzande, die zelf ook student geweest is aan de RTWS. "In mijn klas uit 1914 zat bijvoorbeeld een hele groep domineeszoons, allemaal van gereformeerde huize. Omdat het studeren voor dominee veel geld kostte, konden zij niet allemaal in de voetsporen van hun vader treden en ze werden zodoende maar een andere richting gestuurd".
De twee jaar durende cursus had ook een groot verloop. "Veel jongens stopten er tussentijds mee, omdat ze het niet meer zagen zitten", zegt Vellekoop. "Zelf heb ik er nooit spijt van gehad dat ik de cursus in het voorjaar van 1917 kon afronden. Net als mijn twee oudere broers die de school ook hebben afgemaakt.
Toch was de school geen lang leven beschoren. In 1932 vond er een scheiding plaats tussen de RTWS en de Proeftuin. Nog zes jaar rekte de school haar bestaan maar in 1938 werd de opheffing een feit. De toenmalige directeur van het Proefstation, ir. Riemens was het helemaal niet eens met de opheffing van de combinatie onderwijs voorlichting en onderzoek. Hij besloot tot de oprichting van de zogenoemde ‘Practijkschool’, die nauw verbonden was aan het proefstation.
Deze school opende in 1937 zijn deuren en gaf vooral korte cursussen voor tuinders die interesse hadden voor scholing en bijscholing. Naast deze korte cursussen groeide de school uit tot de ‘Middelbare Tuinbouwvakschool voor de Westlandse teelten’, die gevestigd was in de gebouwen van het Proefstation tot 1962, met een korte onderbreking gedurende enkele oorlogsjaren.
In september 1965 werd de Rijks Middelbare Tuinbouw School een feit. In de gebouwen van de ‘Binnenhaven’ in Naaldwijk werd gestart met een tweejarige B-opleiding. Opvallend was dat bij de oprichting van de nieuwe school zich ook een meisje had aangemeld. Loes van Velden slaagde in 1968 als eerste vrouw op een tuinbouwschool in het Westland. In 1970 verhuisde de RMTS naar de school aan de Jan van Galenstraat in De Lier. Tegenwoordig is in deze school het cursuscentrum gevestigd waarin het Holland College nog steeds participeert.
Poeldijk.
Inmiddels waren er in het Westland al verschillende lagere tuinbouwscholen
gesticht. De eerste school die dit predikaat kreeg was de in 1928 opgerichte
L.Tu.S. in Poeldijk. Deze katholieke school die gevestigd was aan de Dr.
Weitjeslaan was in eerste officiële L.Tu.S. in het Westland.
Tien jaar later werd in Naaldwijk een christelijke tuinbouwschool opgericht. De school werd gevestigd in vier lokalen aan de Dijkweg (later kwam hier garage Droog en tegenwoordig staan er luxe appartementen). Naderhand verhuisde de school naar de Burgemeester Elsenweg.
De christelijke tuinbouwschool begon met 42 leerlingen in twee groepen onder de bezielende leiding van de onlangs op 99-jarige leeftijd overleden meester Van Barneveldt. De jaren daarna werden er overal in het Westland tuinbouwscholen opgericht. De meeste met gewoon dagonderwijs, in ‘s-Gravenzande, Naaldwijk, Wateringen, Maasland, De Lier, en zelfs in Delft. De leerkrachten waren meestal ‘reizende leraren’ die de verschillende scholen bezochten.
In 1990 werd de fusie tussen alle scholen een feit, waarbij de tuinbouwopleidingen werden gebundeld in het Holland College. Ruim 1600 jongens en meisjes maken tegenwoordig gebruik van het dagonderwijs aan het Holland College terwijl er nog eens 2000 personen, zowel uit binnen- als buitenland, in geschreven staan voor de speciale tuinbouwcursussen.
Het huidige Holland College is dus een voortvloeisel van bijna honderd jaar tuinbouwvakonderwijs en heeft als volwaardig opleidingscentrum voor de tuinbouw een belangrijke plaats in het Westland.
Bronnen: ‘Het Westland’ door Hein van der Zande, Jubileumuitgave van de Proeftuin Zuid-Hollands Glasdistrict t.g.v. 25 jaar directeursschap Ir. J. M. Riemens. Met dank aan G.J.T.C. Hamel en gemeente archief Naaldwijk.
Door: Marjoke van der Wilk Uit: Westlandsche Courant
Dinsdag 18 oktober 1994
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
EEN VONDST IN NAALDWIJKS PASTORIE.
Naast het bekende trio: Maarten Luther, Johannes Calvijn en Ulrich Zwingli behoort ook de Nederlander Cornelis Hoen tot de Hervormers. In de kerkgeschiedenis wordt Cornelis Hoen genoemd als de schrijver van de Avondmaalsbrief, waarin zijn opvattingen over het Avondmaal in tegenstelling tot die van de eucharistie werden uiteengezet. Hoens ideeën zijn nog steeds aktueel. Zijn visie werd door enkele belangrijke Hervormers overgenomen en vormt nog steeds één der geschilpunten in het gesprek tussen katholieken en protestanten.
Minder bekend is het verhaal, hoe Cornelis Hoen er toe kwam zijn Avondmaalsbrief te schrijven. Daarvoor moeten we naar het Westland. Daar was op 11 november 1509 de kanunnik en deken van Naaldwijk, Jacobus Hoeck (of Angularius) overleden. Hoeck bezat een belangrijke bibliotheek, die hij aan zijn neef, Martinus Dorpius, een zoon van zijn zuster, vermaakt had. Dorpius was een vermaard professor aan de universiteit van Leuven en had vooreerst geen gelegenheid de lange reis naar Naaldwijk te ondernemen.Daarom vroeg hij zijn vriend en studiegenoot Cornelis Hoen voor hem de boeken in ogenschouw te nemen. Mr. Cornelis Hoen was advokaat bij het Hof van Holland en woonde te 's Gravenhage. Voor hem was deze reis geen bezwaar.
Bij het doornemen van de boeken uit de nalatenschap van de kanunnik, deed Hoen de ontdekking van zijn leven. Hij vond er verschillende brieven, nog geschreven door Wessel Gansfoort, die geleefd had van 1419 tot 1489. Gansfoort was een leerling van de "Broeders des Gemenen Levens", en wordt als een voorloper der Hervorming beschouwd. Wat bleek? De naaldwijkse kanunnik was met Gansfoort in een heftige pennestrijd geweest omtrent diens anti-roomse geschriften.
De vondst was daarom zo verwonderlijk, omdat de kerk alles in het werk had gesteld om de werken van Wessel Gansfoort, die niet waren uitgegeven, te verbranden. Blijkbaar was de bibliotheek van de goed-katholieke pastoor aan hun aandacht ontsnapt. Bij de brieven van Gansfoort bevond zich ook een verhandeling over het Avondmaal. Deze zette Hoen aan het denken en bracht hem tot nieuwe gedachten. Hij besprak deze met zijn vrienden en legde daarna zijn opvattingen over het Avondmaal in een brief vast.
Men besloot Luther, de grote Duitse Hervormer, van de Avondmaalsbrief in kennis te stellen. Hinne Rode, rector van het Fraterhuis te Utrecht vond men bereid de reis naar Wittenberg in Duitsland te ondernemen. Luther nam met instemming kennis van de correspondentie van Wessel Gansfoort, maar de opvatting van Hoen over het Avond maal wees hij echter af. Teleurgesteld kwam Rode van deze reis terug. Een jaar later, in 1522 werd Rode, waarschijnlijk door zijn contact met de grote Hervormer, door zijn superieuren uit zijn ambt ontzet.
Daarna week Rode uit naar het buitenland en ontmoette daar de Zwitserse hervormer Zwingli en liet hem de brief van Hoen lezen. Zwingli was opgetogen en liet de Avondmaalsbrief met enkele aanvullingen in 1525 uitgeven. In deze tijd werd Hoen door de inquisitie aangehouden en gevankelijk naar Geertruidenberg gevoerd. Het Hof van Holland was daarover zeer ontstemd en protesteerde bij de landvoogdes. Hoen kwam weer vrij, maar hij mocht zijn woonplaats 's Gravenhage niet verlaten. Niet lang daarna is hij gestorven, kort voor de uitgave van zijn Avondmaalsbrief.
De avondmaalsleer van het huidige protestantisme vindt haar oorsprong in een geschrift van Nederlandse afkomst, waarbij de Naaldwijkse kanunnik, zijns ondanks, een bescheiden rol heeft gespeeld.
F.C. Groen.
Literatuur: Dr. G. P. van Itterzon: De Levende Kerk.
Uitgave: Zomer en Keuning, Wageningen.
type werk: Nicole Schoutens-Koppenol
![]()
Bijzondere avonturen van een Haagse fietser in het Westland anno 1912.
Het is nog net geen 1 aprilmop, want het gaat over zondag 31 maart 1912. Een sfeertekening van hoe het er - gebaseerd op een reeks ware feiten, die echter in verband met 1 april uiterst vrij zijn geïnterpreteerd - op die zondag in Naaldwijk kan zijn toegegaan.
Een greep uit het leven van Naaldwijk in 1912.
Naaldwijk
Voorovergebogen peddelend tegen de westenwind en nietsvermoedend van wat hem te
wachten staat, fietst op zondag 31 maart 1912 - nu negentig jaar geleden - een
Hagenaar Naaldwijk binnen. Wellicht is hij op weg naar 'de Geest', waar die
middag op het voetbalveld een wedstrijd tussen VVN en HBS moet worden gespeeld.
Wellicht ook niet. Hoe dan ook, hij passeert in elk geval onderweg de boerderij,
waarvan de hooiberg de dinsdag in de week ervoor in brand heeft gestaan.
Mogelijk stapt hij even af om naar de ravage die is aangericht te kijken en
hoort hij van iemand dat de boer - W. B. Kester - bij een poging om de brand te
blussen zich nogal ernstig heeft bezeerd. Dat kwam omdat hij met een emmer water
van het hooi is gevallen.
En daar is het wat de rampspoed betreft niet bij gebleven, want toen de vrijwillige brandweer arriveerde, was ook de agent van politie v. Z. aan komen fietsen. Hij lette echter even meer op de brand dan op waar hij liep en viel zo in een diepe mestput. Die bleek ook nog eens tot de rand toe gevuld te zijn, zodat hij kopje onder ging. De man was nog niet uit zijn benarde situatie verlost of hij sprong razendsnel in de sloot ernaast om zich zo goed en zo kwaad als het ging te reinigen. Later werd duidelijk dat de brand, waar het eigenlijk om ging, was ontstaan doordat kinderen in de hooiberg met lucifers hadden gespeeld,
De fiets
Met dit alles nog in zijn achterhoofd trapt de fietser flink door en
passeert daarbij de Dijkweg. Daar wordt hij tot zijn schrik plotseling door
iemand nogal agressief aangeroepen. Het is op deze zeer lommerrijke en smalle
weg van Honselersdijk naar Naaldwijk een beetje lastig fietsen, want de gemeente
Naaldwijk is net bezig de riolering op te knappen waardoor het verkeer, waar dus
ook de Haagse fietser aan deelneemt, het wat langzamer aan moet doen en goed
moet uitkijken.
"Hé", komt de jonge Naaldwijker hem achterop, "wat doe jij op mijn vaders
fiets?", De wielrijder brengt zijn karretje wat zwaaiend tot stilstand, springt
er vanaf en kijkt de schreeuwende Naaldwijker verbouwereerd aan. "Dat is mijn
fiets, die heb ik zelf gekocht", brengt hij met moeite uit. Maar daar neemt de
Naaldwijker in het geheel geen genoegen mee. "Ik zie het toch zelf: dat is mijn
vaders fiets. We gaan meteen naar de politie!".
Zo gezegd zo gedaan. De Naaldwijkse agent van politie (zou dat soms dezelfde zijn van die beerput?, flitst het door de fietser heen) die het tweetal die zondagmiddag ontvangt, snapt meteen dat J, van G" de vader van de Naaldwijkse jongeman, eigenlijk de rechtmatige eigenaar van de fiets is. Want hij weet zich nog als de dag van gisteren te herinneren, dat de man vorig jaar nogal overstuur bij hem is komen vertellen dat hij in Den Haag aangifte had moeten doen van diefstal van zijn nog vrij nieuwe fiets, Hij was hem kwijt geraakt, toen hij daar een familie- lid in het R.K. Ziekenhuis bezocht. Het rijwiel was gewoon door iemand meegenomen en hoe hij ook zocht en hoe de politie ook speurde, het gestolen goed werd niet meer teruggevonden. Het karretje was en bleef weg.
Toevallig
Dat zijn zoon de fiets nu meteen heeft herkend, is een mirakel, maar
heeft er ook mee te maken dat er aan de fiets hoegenaamd niets is veranderd.
Toch krijgt de eigenaar zijn karretje niet terug. De politie besluit, zoals de
politie in zo'n geval altijd moet doen, het rijwiel in beslag te nemen. Er zijn
geen bewijzen, ook niet van het feit dat de berijder de dief
van de fiets is. Dus wordt hem op zijn beurt meegedeeld dat hij - nadat zijn gegevens zijn genoteerd - weer naar huis mag terugkeren. Zij het op andere wijze dan hij is gekomen. Of hij echt op weg is geweest naar de Geest om daar naar het voetballen te gaan, zal in geen negentig jaar duidelijk worden. Maar feit is, dat daar intussen wel het eerste elftal van NVV (Naaldwijkse Voetbalvereniging) tegen het derde van HBS uit Den Haag tussen de lijnen is. getreden. Niet met elf man, maar - heel toevallig - met tien... Een aantal dat later nog wordt gereduceerd tot negen, al gaat dat zonder rode kaart want die wordt pas ruim een halve eeuw later uitgevonden. De wedstrijd wordt, dat is begrijpelijk, door Naaldwijk gewonnen met 3-0.
In de ruimte die voor kantine doorgaat wordt wellicht iets anders dan melk geschonken, maar als dat wel het geval is, dan heb je kans dat deze drank meer aftrek heeft gevonden dan anders, want de zuivelfabriek in Naaldwijk heeft zojuist besloten de literprijs voor melk met twee cent te verlagen. Iedereen in Naaldwijk is daar blij mee en is het er roerend over eens, dat dit weer enige verlichting geeft in deze toch beslist dure tijd.
Als de Hagenaar zijn fiets niet was kwijtgeraakt, had hij de terugweg naar Den Haag eventueel over Monster kunnen nemen. Het zou hem dan helemaal niet opvallen dat een zware muur, die voorheen de begraafplaats aan de Geestweg aan het oog onttrok, nu heeft plaatsgemaakt voor een vriendelijk hek. Maar voor de Naaldwijkers is daardoor wel veel somberheid verdwenen. De open ruimte verraadt dat het hier bij de westelijke ingang van het dorp Naaldwijk om een grote verbetering gaat.
Nieuw station
Het ligt natuurlijk veel meer voor de hand dat de Hagenaar gewacht heeft tot
de eerstvolgende tram van de Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij (WSM) naar
Den Haag zou vertrekken. Hij passeert daarbij in Honselersdijk het station, dat
er werkelijk fonkelnieuw uitziet. Het staat te schitteren in de alweer dalende
voorjaarszon. De werksteigers, die daar geruime tijd hebben gestaan, zijn immers
geheel verdwenen en het gebouw is fraai met pannen gedekt. Het blijkt een
bijzonder slank, net en vriendelijk gebouwtje te zijn geworden, veel ruimer en
flinker dan men het zich - toen de plannen nog in de maak waren - heeft
voorgesteld. De Honselersdijkers zijn er erg blij mee, want daarmee is een eind
gekomen aan het gemis van een beschuttend lokaal voor de passagiers gedurende
vele jaren.
Onderweg ziet de terugreizende Hagenaar vast wel, dat de weilanden van het Westland er over het algemeen goed voor staan, maar hij is beslist niet zo'n kenner die weet dat ze na de uitdroging van de hete zomer van 1911 er beter bij zijn komen te liggen dankzij een gunstig najaar en al helemaal niet dat het gewas daardoor flink bij groeit en de wortelspruitjes zich goed ontwikkelen. Ondanks de felle kou in de winter valt het allemaal nogal mee, omdat sneeuwbedekking ervoor heeft gezorgd dat 1912 toch nog wel eens een goed grasjaar kan worden. De Hagenaar zonder fiets kan dit maar weinig schelen. Hij zit na een lange tramrit allang en breed thuis mokkend over het verlies van naar wat hij naar beste weten zijn eigendom mag noemen, totdat de Naaldwijkse politie er na ijverig speurwerk achter komt, dat de teruggevonden fiets van de heer J. v. G. dat ook inderdaad is, omdat hit 'reeds in de derde hand blijkt te zijn overgegaan'. Hij kan dus gelukkig ook volgens de politie niet de dief zijn geweest. Maar voor de oorspronkelijke eigenaar is het ook geen lolletje, want het politierapport meldt: 'De oorspronkelijke eigenaar kan zijn voertuig daarom alleen tegen vergoeding terugbekomen'. Of dat gebeurd is, weet alleen de familie v. G.

Bron: Westlandsche Courant, zaterdag 30 maart 2002
door: Aad van Holstein
![]()
Zorgen om Westlanse waterwegen in 1901
Het voorjaar van 1900 kwam als een verademing na een lange en strenge winter die het Westland in zijn ijzige greep had gehouden. De sloten waren weer bevaarbaar en de vele schippers die het Westland toen telde, konden hun zeilen weer hijsen.
Uit: Westlandsche Courant 7 april 2001
Door: Aad van Holstein

De Haven van Naaldwijk in het begin van de vorige eeuw.
Nu bevindt zich daar het Havenplein.
Vergeten was in het voorjaar van 1900 de periode van strenge vorst. Vergeten
was dat er in die tijd maar weinig werk in de tuinbouw kon worden verricht. De
verdiensten waren ook al niet om over naar huis te schrijven. En omdat er nog
lang geen sprake was van de uitstekende sociale voorzieningen, waar honderd jaar
later een beroep op kan worden gedaan, werd er bijvoorbeeld in Naaldwijk nog
volop voor de armen gecollecteerd. Niet alleen in de kerken, maar ook langs de
deuren.
"De wintervoorraad levensmiddelen raakt op", schreef de Westlandsche Courant. "
Armoede en gebrek staan dan ook voor velen voor de deur. Nu eens geen collecte
voor de Transvaalsche Boeren of andere liefdadige werken maar 'voor de eigen
ingezetenen, die gaarne een stukje brood verdienen, maar door omstandigheden
daartoe in de onmogelijkheid zijn gekomen".
Men kan zich voorstellen, dat de lente met vreugde werd begroet, want dat gaf
weer wat meer lucht voor de arbeiders in de tuin. Maar ook voor degenen, die op
het water hun brood verdienden. Immers de langzaam weer op gang komende aanvoer
van fruit, aardappelen en groenten werd nog grotendeels met zeilschepen
verwerkt. Die voeren af en aan naar markten in de omliggende steden, naar havens
en spooremplacementen. De schippers waren belangrijke partners voor de tuinders,
die hun producten via de twaalf Westlandse veilingen aanleverden en over het
water naar de grote steden vervoerd zagen worden.
Uitgestorven
Andersom kwamen ook goederen die voor het Westland bestemd waren nog
voornamelijk per schip in de streek terecht. Het nu alweer jarenlang
uitgestorven vak van schipper werd in 1901 nog door honderden Westlanders
uitgeoefend. Het was een zeer goed middel van bestaan. Maar het had ook een
keerzijde, want ondanks het feit dat er jarenlang door de Westlandse vaarten
werd gevaren en de drukte daar steeds verder toenam werd er te weinig aan het
onderhoud van de vaarwegen gedaan.
Allengs drong het besef door dat deze vaarwegen, die het Westland werkelijk in
alle richtingen doorkruisten, in een steeds minder goede staat verkeerden. De
sloten en vaarten waren totaal verouderd. Ze voldeden niet meer aan de eisen die
het toenemende waterverkeer eraan stelde.
In het voorjaar van 1901 werd daarom door de zojuist opgerichte 'Vereniging tot
Vaartverbetering in het Westland' flink alarm geslagen.
"Zoals de vaarten er nu bijliggen vormen zij eerder een belemmering voor de
scheepvaart dan een mogelijkheid tot sneller vervoer", werd keihard gesteld. En
daar zat niemand in het Westland op te wachten.
Bewust
De vereniging was zich er - dat blijkt uit publicaties in die tijd - terdege
van bewust dat de sloten en vaarten in het Westland eigenlijk helemaal niet
waren gegraven voor nijverheid en verkeer, maar voor de afvoer van het
overtollige water van het waterschap Delfland, dat weer tot het
Hoogheemraadschap van Delfland behoorde en dat geen enkele verandering aan de
vaarwegen duldde zonder haar uitdrukkelijke toestemming.
De oorzaak van de slechte staat van de vaarwegen moest volgens deskundigen
vooral worden gezocht in het va,ren 'met te veel zeil op', waartegen de kaden
niet bestand waren. De vereniging maakte zich daar erg druk over, maar de
schippers zelf lagen daar niet wakker van.
In diverse Westlandse plaatsen kon men ze - als ze niet onderweg waren met een
vracht - in de binnen- havens aantreffen. Straatnamen als het Havenplein in
Naaldwijk en de Havenstraat in Monster doen nog sterk herinneren aan deze
havens. Ook gebouw de Binnenhaven, daar vlakbij gelegen, is genoemd naar dit
haventje, waar vlakbij in het begin van de vorige eeuw ook de veiling Naaldwijk
gevestigd was, In die havens lagen de schepen te wachten op een vracht.
Mest of jenever
Schipper Peter Jansen (25) uit Naaldwijk was een van hen. Hij was in
gezelschap van zijn knecht Jan Nadorp het haventje van Naaldwijk uitgevaren naar
Schiedam, waar hij een vrachtje moest ophalen, dat hij naar Hoek van Holland
moest brengen. Op 12 maart 1901 voer hij met zijn schip van Schiedam naar Hoek
van Holland. Het staat niet vast of hij Schiedamse jenever of een lading van de
bekende Schiedamse mest aan boord had. De mest werd overal in het Westland door
de schippers afgeleverd om bij de tuinders in de grond te worden verwerkt. Dat
het na het lossen van de mest niet altijd overal even schoon bleef op straat,
weten sommige oudere inwoners zich nog goed te herinneren.
Schipper Jansen koerste die dag hoe dan ook via de Nieuwe Waterweg op de haven van Hoek van Holland aan, toen het schip daar plotseling om onverklaarbare redenen begon te slingeren en tegen een dukdalf (duc 'd'albe, zei men toen nog op zijn Frans) sloeg. Met groot lawaai brak het schip daarbij in tweeën. Terwijl een deel al zinkende was, sprong schippersknecht Nadorp met de moed der wanhoop op de zojuist aangevaren dukdalf en wist zich daaraan vast te klemmen en zo het vege lijf te redden. Schipper Jansen probeerde hem in een uiterste poging nog na te doen, maar miste de dukdalf en verdween tot grote schrik van Nadorp en andere aanstormende collega schippers in het diepe water. Nadorp wilde zijn baas koste wat het wil redden en zou hem nagesprongen zijn als de andere schippers hem daar niet van hadden weerhouden. Hij zou ongetwijfeld door de krachtige stroom zijn meegesleurd en eveneens zijn omgekomen, hoe goed hij misschien ook had kunnen zwemmen.
Tevergeefs
Twee schippers, Bos en Coli, stelden nog verwoede pogingen in het werk om
Jansen alsnog uit het water van de Nieuwe Waterweg te redden, maar ze bleken
tevergeefs. De knecht zat intussen nog steeds op de dukdalf, maar werd daar
uiteindelijk door enkele schippers vanaf gehaald. In een bericht in de
Westlahdsche Courant werd daags na het ongeluk gemeld, dat schipper Jansen was
omgekomen. Er werd bij vermeld, dat hij altijd een zeer oppassend man was
geweest. De sociale controle in Naaldwijk werkte uitstekend. De krant meldde
verder over hem, dat hij 'de steun zijner moeder is, eene weduwe, die door deze
ramp al haar middelen van bestaan verliest'.
![]()
Poging van Westlandse Engelandvaarders mislukt.
Door: Aad van Holstein
Uit: Westlandsche Courant 24 januari 2001
Naaldwijker Herman Lucas probeerde zestig jaar geleden tevergeefs naar Engeland te ontkomen. Later in de oorlogsjaren werd Lucas, die allerlei verzetsdaden pleegde, verraden.
Op een zaterdagavond in maart Van het oorlogsjaar 1941. moet het gebeuren.
Drie jongens maken van het nachtelijk duister gebruik om te proberen met een
bootje met buitenboordmotor als 'Engelandvaarders' de Nieuwe Waterweg bij Hoek
van Holland op te varen. Het land uit. Naar Engeland.
Maar - ondanks het feit dat ze door een groepje Naaldwijkers worden geholpen -
loopt hun onderneming vandaag zestig jaar geleden op niets uit. Een van hen is
Herman Lucas. Negentien jaar oud Zoon van de Naaldwijkse gemeentearchitect Lucas.
Zijn moeder verblijft in een inrichting en omdat zijn vader een drukke baan
heeft, is er maar weinig controle op het doen en laten van Herman. In 1939 reed
Herman nog met een motorfiets, merk DKW, heen en weer van NaaldWijk naar Den
Haag als leerling van de rooms katholieke mulo. Toen hij op een dag in Rijswijk
een lekke band kreeg, ontmoette hij daar de even oude rijwielhandelaar Theo
Trompert uit de Kerkstraat. Net als Herman bleek deze op vliegveld Ypenburg een
cursus zweefvliegen te volgen. Herman haalde wel zijn A-brevet, maar toen een
jaar later de oorlog uitbrak, kon hij naar zijn B-brevet fluiten. Al tijdens de
mobilisatie werd het vliegveld voor burgers gesloten.
Buitenboordmotor
Maar de vriendschap met Trompert en diens vriend Nijman, blijft. De jongens
hebben het idee 'iets tegen de Moffen te moeten doen', waarna zij op zoek gaan
naar wapens, die tijdens de eerste oorlogsdagen in de Vliet zouden zijn
geworpen. Ze vinden niets, maar daar laten ze zich niet door ontmoedigen. Er
worden gestencilde blaadjes verspreid en in cafés die door de Duitsers werden
bezocht, zouden wapens buitgemaakt zijn. Het idee naar Engeland te vluchten
ontstaat al gauw. Herman denkt er zelfs over een vliegtuigje op Ypenburg te
stelen om zo de zee over te steken. Hij zou het liefst dienst nemen bij de
inlichtingsdienst om spionagewerk te verrichten. Maar het plan om naar de
overkant te vliegen laat hij varen. Wel zou het misschien via het water kunnen.
Op een avond weten Herman en Theo een boot met buitenboordmotor, die in een
loods bij de Geestbrugweg in Rijswijk ligt, weg te halen en op een aanhangwagen,
die normaal bestemd is voor het vervoeren van zweefvliegtuigen, te leggen. Een
agent, die de jongens bezig ziet, schiet zelfs nog even niets vermoedend te
hulp. Boot en motor worden daarna tijdelijk opgeslagen. Intussen weet Herman uit
de garage van de Naaldwijkse brandweer in de Koningstraat de voor de overtocht
nodige benzine te stelen.
Eindelijk breekt de zaterdagavond aan, waarop de boot op een vrachtauto wordt geladen en naar de Nieuwe Waterweg wordt gereden. Herman Lucas en de twee Rijswijkse vrienden Roel de Wilde (18) en Cor Niiman (21), die met hem mee willen, worden die avond geholpen door vier vrienden uit Rijswijk en het Westland. Wim Neervoort, zoon van een bakker, heeft nog gezorgd voor een tarwebrood en twee rollen pepermunt. Maar op weg naar De Hoek passeert de vrachtwagen een groep Duitsers. Om ze te misleiden heffen de jongens gauw het weermachtslied 'Denn wir fahren gegen England' aan. Hoewel zij de vijand dan te vlug af lijken te zijn, worden ze toch vlakbij het slachthuis Vianda, gelegen aan de Nieuwe Waterweg toch door een Duitse patrouille gestoord, waarop de groep het hazenpad kiest. Omdat Herman Lucas de bezetter toch zoveel mogelijk wil blijven dwarszitten, probeert hij de tram van de WSM te boycotten. Samen met Neervoort en Voskamp laat hij op 6 maart 's-avonds om tien uur een goederentrein die uit de richting Poeldijk komt en de overweg bij de Kleine Woerdlaan vlak bij het stationnetje in Naaldwijk wil oversteken, ontsporen. De volgende dag zien de voorbijgangers hoe de locomotief als gevolg van geknoei aan een wissel uit de rails is gelopen. De marechaussee die een onderzoek instelt constateert opzet. De volgende dag loopt een trein die van de andere kant afkomt meteen flink vaartje uit de rails. Op 24 april wordt de wisseltruc nabij de Rolpaal in Honselersdijk herhaald. Hoewel speurhonden worden ingezet, vindt men de daders niet. Omdat de tramwegen te veel in de gaten gehouden worden, verlegt Herman zijn activiteiten.
Brand
Op 16 april 1941 om vijf over tien wordt brand gemeld bij de veiling
Zwartendijk. Ook een fustloods van veiling Poeldijk wordt in brand gestoken. Een
tijdje denkt de politie in Jochem van den Berg, een onafhankelijk raadslid de
dader te hebben gevonden. Er worden tegen hem zeer bezwarende verklaringen
afgelegd, want hij zou langs de veiling zijn gefietst en in zijn huis een
verdacht flesje hebben bewaard. Ook zou hij gezegd hebben, de veiling nog wel
eens in brand te zullen steken, veel mensen beschouwen Van den Berg als NSB'er.
Maar bij gebrek aan bewijs wordt hij vrijgelaten. Later als, Lucas na verraad
wordt gearresteerd (1942) blijkt, dat hij de brand samen met Theo Trompert heeft
gesticht. Hij is in zijn eentje nog naar Poeldijk gereden om met benzine die hij
van de brandstichting over had; de brand in poeldijk te stichten.
Plakkaten
In mei 1941 worden in Naaldwijk en andere dorpen plakkaten opgehangen. De
burgemeesters van zes gemeenten schrijven: "Aan de Westlandsche bevolking! De
Burgemeester der Westlandsche gemeenten voelen zich verplicht, zich met een
ernstig woord tot hun ingezetenen te wenden in verband met in enkele gemeenten
den laatste tijd voorgekomen gebeurlijkheden, vooral aan spoorlijnen en
veilingloodsen, tusschen welke eenige samenhang niet uitsloten kan geacht
worden. Zij moeten de bevolking wijzen op de gevaarlijke gevolgen, welke
dergelijke voorvallen in deze tijden kunnen medebrengen voor hunne gemeenten en
de bevolking zelve en doen een ernstig beroep op de burgerij om ten deze haar
gezond verstand en zin voor orde te bewaren. Door enkele kwaadwillige individuen
kan aan het Westland niet te overziene schade worden toegebracht. Ieder
weldenkend burger neme hiertegen stelling en geve aan de politie elke
inlichting, welke voor haar van belang kan zijn".
Voor die inlichtingen wordt een beloning van 250 gulden uitgeloofd. Ruim een half jaar later lost de politie de zaak op als een 'gouden tip' over de sabotagedaden binnenkomt, waarmee Herman Lucas wordt verraden. Dit heeft onherroepelijk de dood van Herman Lucas tot gevolg en levert zware gevangenisstraffen op yoor de mededaders. Herman Lucas, wiens geschiedenis wij ontlenen aan het prachtige in 1995 verschenen werk 'Gemeente, Naaldwijk 1940-1945', wordt beschouwd als een van de verzetshelden van het Westland.
![]()
Een nachtelijke overval op het arbeidsbureau in 1943.
Uit:
Westlandsche Courant 15-11-2003
Door: Aad van Holstein
In het jaar 1943, nu ruim zestig jaar geleden doet de Westlandse Knokploeg regelmatig van zich spreken door zijn geheime acties tegen de Duitse bezetter. In het boek 'Gemeente Naaldwijk 1940-1945' dat in 1995 verscheen wordt daar ook melding van gemaakt. En in politierapporten van die tijd.
De spectaculairste
verzetsdaad van de Westlandse Knokploeg speelt zich af in het donkere najaar van
1943: een overval op het arbeidsbureau in Naaldwijk, die niet zonder gevolgen
blijft. Het gaat om het bijkantoor van het Gewestelijk Arbeidsbureau te Delft
gevestigd aan de Stokdijkkade. De verzetslieden hebben het gemunt op een
kaartsysteem dat zich daar bevindt.
In de zomer laat de bezetter weten niet tevreden te zijn over de resultaten van
de arbeidsinzet. Er moet een kaartsysteem worden ingevoerd, waarbij bedrijven
verplicht worden een registratiekaart in drievoud in te vullen: de Z-karte.
Daarop moeten nauwgezet alle gegevens van elke werknemer worden aangegeven plus
de periode waarin de medewerker beslist niet kan worden gemist. Het gaat in het
Westland om de tuinbouw, een seizoensbedrijf waarbij fluctuaties optreden in de
personeelsbezetting. Die kaart moet niet alleen naar de Duitse overheid, maar
ook naar het arbeidsbureau worden gestuurd.
Aan de hand van de gegevens die i de werkgevers moeten doorgeven, wordt daarna
beslist of iemand voor uitstel van uitzending naar Duitsland in aanmerking komt.
De leden van de Knokploeg beseffen dat, als iedere werkgever dit klakkeloos
opvolgt, talloze Westlanders in gevaar komen. Eerst wordt daarom de oproep
gedaan om de Z-karte niet in te vullen, laat staan in te sturen. Maar daar
blijft het niet bij. De Westlandse Knokploeg bereidt in het diepste geheim een
overval voor op het arbeidsbureau om daarbij de kaarten te vernietigen nog voor
ze door de bedrijven kunnen worden ingevuld.
Regenachtig
In het boek van de
heren drs. C. J. M. Bentvelzen, P. A. Smit en drs. P.A. Vreugdenhil staat het zo
pakkend beschreven: "Op een donkere, zeer regenachtige zaterdagavond verzamelt
zich een vijftal leden van de Westlandse Knokploeg ter hoogte van het
plaatselijk bijkantoor van het Gewestelijk Arbeidsbureau aan de Stokdijkkade.
Vanuit hun schuilplaatsen houden de vijf het arbeidsbureau scherp in de gaten.
Zij zijn bekend met het feit dat in het kantoor bewakingaanwezig is en dat
regelmatige controles door de plaatselijke politie worden uitgevoerd. De
ambtenaar H. Snapper heeft hen hiervan op de hoogte gesteld en tevens uitgelegd
'hoe en waar één en ander te vinden zal zijn. Het plan is om op het moment dat
de politieman aanbelt om het kantoor te controleren, tegelijkertijd naar binnen
te dringen onder bedreiging vaneen vuurwapen. Men kan echter die avond lang
wachten. De politieman komt - vermoedelijk vanwege de hevige regen - niet
opdagen. De vijf KP/ers besluiten dan zelf tot actie over te gaan."
Uit het later opgesteld politierapport blijkt dat op zondagmorgen 28 november om
kwart voor vier er op de voordeur van het bijkantoor van het arbeidsbureau wordt
geklopt. De bewaker, luisterend naar de naam Landmeter schrikt even en loopt
nieuwsgierig naar de deur zich afvragend wie op dit uur bij het arbeidsbureau
moet zijn. Hij vraagt eerst door de deur heen wie er is. "Doe eens open,
Landmeter hier is Kaat". Daarop doet hij de deur van het nachtslot doet en op
een kier. Leen Kaat is immers een bekende Naaldwijkse politieman. Een hem
volkomen onbekende man staat tegenover hem met een revolver in de hand en zegt:
Handen omhoog, Landmeter."
Politierapport
Het politierapport gaat dan verder: "Daarna zei men tegen hem: Ga tegen de muur
staan met je handen omhoog en je gezicht naar de deur. Voordat hij dat kon doen,
zag Landmeter dat een tweede persoon uit het donker naar binnen kwam. De
overvallers waarvan er vermoedelijk twee geweest zijn, hoewel de mogelijkheid
bestaat dat er nog enige op post buiten het kantoor hebben gestaan, zijn daarna
aan het werk gegaan. Even voordat de overvallers het kantoor verlieten, kwam er
een van hen naar hem toe en voelde aan het touw om zijn polsen zei tegen hem.
Doet het pijn, Landmeter? Daarna verlieten de daders het bijkantoor."
De overvallers hebben Landmeter niet overdreven strak vastgebonden op zijn
stoel, want hij kan zich vrij gemakkelijk bevrijden. Hij loopt snel naar de voor
deur. Die blijkt aan de buitenkant op slot gedraaid te zijn. Dus moet hij van de
achterdeur gebruik maken om precies om twaalf minuten over vier aangifte te doen
bij het politiebureau, dat aan het dan nog Marktplein hetende Wilhelminaplein
ligt. Een lid van de Luchtbeschermingsdienst, toevallig op het politiebureau
aanwezig, wordt naar het woon adres gestuurd van inspecteur Boltje, die daarop
de Gewestelijk Politiecommandant en de Sicherheidspolizei in Rotterdam
alarmeert. Snel opgetrommelde rechercheurs stellen daarna een diepgaand
onderzoek in en zorgen er ook voor dat het arbeidsbureau verscherpt wordt
bewaakt. Patrouilles lopen op straat om personen te controleren. Maar van de
daders geen spoor. Het begint hevig te regenen, waardoor ook Bertus, de
ingezette speurhond, het laat afweten.
Geen wonder, want de mannen waar het om gaat hebben hun buit inzakken gepropt en
zijn de vlak voor het bureau liggende Naaldwijkse Vaart overgestoken en hebben
zich met gebruik van losse planken over slootjes, bruggetjes en smalle paadjes
dwars door de tuinderijen van Pijletuinen uit de voeten gemaakt.
Ravage
In het kantoor treft de politie een grote ravage aan. Documenten liggen door
elkaar en een telefoontoestel is losgetrokken en in een hoek gegooid. Niet
alleen het kaartsysteem met duizend kaarten vol persoonsgegevens over de
arbeidsinzet is verdwenen, ook een systeem met alle stamkaarten van
ingeschrevenen. De verzetsmensen hebben toch pech. In een kluis bij een
plaatselijke bank liggen de gegevens in duplicaatvorm opgeslagen.
De NSB-burgemeester van Naaldwijk maakt namens de Duitse bezetters bekend, dat
de bevolking van Naaldwijk voor de overval en eerdere sabotageacties wordt
bestraft. Van 16 december 1943 tot en met 12 januari 1944 geldt een
uitgaansverbod. Op werkdagen na 19.00 uur en op zon en feestagen na 18.00
uur is het voor iedereen verboden zich in de openlucht te bevinden, bovendien
moeten alle openbare gebouwen tot en met 15 februari 1944 door mannelijke
ingezetenen van 20 tot 44 jaar worden bewaakt. "Een goedkope ingreep van de
Duitsers en effectief bovendien, want bij een eventuele nieuwe overal zouden zo
onschuldige Naaldwijkers moeten boeten", aldus de auteurs van het boek over
Naaldwijk in de Tweede Wereldoorlog.
![]()
Gaten in het dak na schietseizoen in Naaldwijk.
Uit: Westlandsche Courant
25-10-2003
Door: Aad van Holstein
De Schietvereniging Naaldwijk was in 1963 maar wat blij met het nieuwe onderkomen in de pas geheel verbouwde accommodatie 'De Harmonie' aan de Dijkweg. De voormalige oude pastorie bood niet alleen onderdak aan de eigenaresse de muziekvereniging Sint Adrianus, maar ook aan een judoclub. Nu kwam daar de schietvereniging bij in hetzelfde zaaltje.
Prominenten schoten de nieuwe zaal figuurlijk open.
In schiethouding op foto:
voorzitter van de schietkring Westland T. van
der Caay, wethouder Jan Emmens van Naaldwijk en zijn collega Verkade.
Van links naar rechts staande:
Wim Overdevest, Van Niel, Malkenhorst, Arie Middelburg, Ton Koene, A. Lentz,
Albert Weinmann, Van der Eijck, Leen Kleer, Wim Emmens, Dirk Kamen, Van Niel
(broer van de andere), Ph van Duyn en Halberstadt.
(foto Gemeente archief Naaldwijk)
Het ene ogenblik dartelden de Naaldwijkse judoka's nog over hun matten in het zaaltje aan de achterzijde van gebouw De Harmonie en het andere vlogen de kogels er langs stalen draden naar liefst midden in de roos aan de overkant. Ze vlogen niet meer om ie oren, dat was verleden tijd. Albert Weinmann (66) kan zich nog heel goed herinneren hoe anders dat was toen hij zich als 19-jarige jongen meldde als lid van de Naaldwijkse Schietvereniging. Het omgaan met een vuurwapen was vlak na de oorlog een sport, die maar aan een enkeling was voorbehouden. Het waren meestal mensen, die iets met het leger, de politie of het verzet te maken hadden gehad, die schieten als sport wilden beoefenen. Zo kwamen in Naaldwijk direct na de oorlog verzetslieden onder de naam 'Trouw aan Oranje' vaak op allerlei plaatsen bijeen. Ze besloten een eigen club op te richten. De juiste oprichtingsdatum is 20 maart 1946, maar pas dertig jaar geleden is de vereniging bij Koninklijk besluit van 15 juni 1973 ook werkelijk Koninklijk goedgekeurd. In het begin werd op vele plekken geschoten, zoals in kassen, schuren, gymnastiek lokalen en kelders. Toen ik lid werd, schoten we nog in de Openbare kleuterschool in de Koningstraat, vertelt Albert Weinmann. “We gingen gewoon aan de kant zitten en de kogels vlogen zo dwars door het schoollokaal: De regels waren in die tijd nog niet zo streng als nu, al moest je wel een wapenvergunning hebben.”
De wet veranderde daarna,
zodat uitgeweken moest worden naar een andere locatie. Dat werd de kelder van de
Vakschool voor Meisjes aan de Dijkweg. Die kelder heeft tot het najaar van 1963
als onderkomen dienst gedaan. “Het kwam een keer voor dat - nota bene een
politieman - zo'n gietijzeren buis van de waterleiding raakte, waardoor de hele
boel onder water kwam te staan", weet Albert zich nog goed te herinneren. Ook is
een keer een elektriciteitsdraad doorgeschoten, waardoor de schutters meteen in
het donker zaten.
Het was dus een hele verbetering, toen veertig jaar geleden met de
harmonievereniging Sint Adrianus overeenstemming kon worden bereikt over het
huren van de judozaal voor het houden van schietwedstrijden.
“Die zaal moest wel even worden aangepast", vertelt Weinmann, want de eisen die
aan een schietlokaal werden gesteld werden steeds zwaarder. Met vereende
krachten maakten we achter in de zaal een kast die als kogelvanger moest dienen.
In de kast werden ik weet niet hoeveel op een halve meter afgezaagde
boomstammetjes opgestapeld, waarin aan de kopse kant de kogels werden
opgevangen. Daarachter bevond zich een zware stalen plaat, om te voorkomen dat
de kogels door de muur naar buiten zouden vliegen."
Fietswielen
“Een van de leden, Adriaan Kiebert van de Geestweg, maakte van fietswielen en
staaldraden een perfecte, met de hand te bedienen transportmachine om de
schietkaarten op hun plek te krijgen, zonder dat iemand heen en weer hoefde te
lopen. Dat gaf een veel grotere veiligheid. Het waren drie draden: een geleider
en twee transportdraden. Met klemmetjes en later met plankjes werden de kaarten
daarop bevestigd. Tegenwoordig gaat het baantransport allemaal elektrisch en
gaat dat gepaard met een strenge controle", aldus Albert, die lachend vertelt
dat het er in 1963 nog heel anders aan toe ging dan tegenwoordig. Zo moesten de
leden van de schietvereniging af en toe gemobiliseerd worden om de gaten te
dichten, die in het eternieten dak waren geschoten.
Toch was het op die dinsdagavond 15 oktober een feestelijk gebeuren, waarmee het
nieuwe
Wie Albert Weinmann
tegenwoordig wil spreken, kan het beste eerst maar even naar de Hoge Bomen
rijden, want tien tegen een dat hij daar in het gebouw van de schietvereniging
te vinden is. Deze accommodatie heeft de vereniging sinds januari 1971 in
gebruik en is uitstekend ingericht. Je vindt er een recreatieruimte met bar, een
toiletruimte voor dames en heren, dertien multifunctionele geweer/pistoolbanen,
een bestuurs‑ en commissiekamer. Het aantal leden ‑ afkomstig uit Naaldwijk,
Honselersdijk en Maasdijk ‑ is van honderd leden in 1989 inmiddels gegroeid tot
120 nu. Tijdens de laatste kerkenveiling van de St. ‑Adrianusparochte in
Naaldwijk zijn vijf door de vereniging aangeboden kavels ten bate van deze
parochie verkocht. Op 21 november zijn op die manier intussen twintig personen
uitgenodigd om op de banen aan de Hoge Bomen te komen schieten. Per persoon
krijgt men dan drie kaarten. Wie ook zoiets wil moet op 6 november (2003) naar
de kerkenveiling van de parochie van Onze Lieve Vrouw in Honselersdijk, waar ook
vijf kavels te koop zitting voor een schietavond op 9 januari.
"Niemand is te oud of gehandicapt om te schieten", is de overtuiging van Albert
Weinmann. "Hier was onlangs een vrouw van 83 die er eerst niets in zag, maar
toen ze het eenmaal een keer gedaan had, kwam ze steeds weer terug. En zelfs
hebben we een blinde jongen ‑met hulp van anderen, dat wel ‑ laten schieten. Hij
reageerde uitbundig: nu hoor ik er ook bij!"
![]()
Erepoort trekt in 1923 aandacht in Naaldwijk.
Het ziet er aanvankelijk in september 1923 helemaal niet zo naar uit dat Naaldwijk royaal uit zijn slof zal schieten bij de viering van het 25-jarig jubileum van koningin Wilhelmina. Maar twee tot drie dagen van tevoren komt er toch ineens leven in de brouwerij. Overal worden de inwoners actief. En het resultaat is verbluffend.
Uit: Haagsche Courant 20-09-2003
door: Aad van Holstein
NAALDWIJK
Geen straatje of steegje in Naaldwijk wordt overgeslagen. Overal hangen
vrolijke, dwars over de straat gespannen rood-wit-blauwevlaggetjes en op tal van
plaatsen wiegelen kleurige ballonnetjes in de wind. Waar je ook kijkt, het is
een zee van sparren- en aspergegroen. Maar de Prins Hendrikstraat spant de
kroon. Allemaal voor de 'zilveren' koningin Wilhelmina.
Het op het laatste moment in het leven geroepen feestcomité van Naaldwijk heeft
dat alles toch maar snel voor elkaar gekregen. De bewoners van de Prins
Hendrikstraat zijn er als de kippen bij om van deze doorgangsstraat door
Naaldwijk iets bijzonders te maken. Overal vandaan worden materialen aangevoerd
en in minder dan geen tijd ziet de straat er feestelijk uit. Er wordt dan ook
met grote toewijding en veel samenwerking door iedereen aan meegewerkt. Als het
helemaal klaar is, vinden de Naaldwijkers het een lust voor het oog om door de
straat te wandelen.
Maar daarmee zijn we er nog niet, want samen met de buren van de in het
verlengde gelegen 's-Gravenzandseweg hebben de bewoners van de Prins
Hendrikstraat, her ook nog eens voor elkaar gekregen om op de kruising met het
Zuideinde een monumentale kruisboogpoort te plaatsen. Die wekt de bewondering
van niet alleen heel Naaldwijk maar ook van ver daarbuiten.
Aanstekelijk
De ijver van de 'Prins Hendrikstraters' werkt zo aanstekelijk, dat al gauw
de Molenstraat, Prinses Julianastraat, Geestweg en Herenstraat volgen. De
Dijkweg krijgt bovendien een feeërieke verlichting met honderden lichtslingers,
hetgeen voor een betoverend schouwspel zorgt. Tussen de bomen van het naar de
jubilerende vorstin genoemde Wilhelminaplein -het centrum van de gemeente
Naaldwijk- gloeien tussen de takken van de bomen ontelbaar veel oranje ballons.
De Kruisweg heeft een feestelijke verlichting van oranje lampions tussen de
bomen, die weerspiegeld wordt in het rimpelloze water langs de Kruisweg. Een
verlichte fontein lokt honderden toeschouwers 's avondsnaar de Kruisweg. Dat het
allemaal toch nog tijdig opgang komt en Naaldwijk twee dagen lang in
feeststemming is, dankt men aan V. F. Valstar, de voorzitter van het
feestcomité.
Hij staat bekend om zijn onverstoorbaar humeur en weet zijn schouders overal
onder te zetten. De samenstelling van de bevolking in Naaldwijk is in 1923
zodanig dat niet iedereen staat te trappelen om nu eens een kermis naar
Naaldwijk te gaan halen. Van rooms-katholieke en liberale kant wordt druk op het
comité uitgeoefend om daar toch meer aandacht aan te besteden, maar Valstar
gelooft meer in het Christelijk nationaal karakter van de feestelijkheden en
probeert zich daar ook gewetensvol zoveel mogelijk aan te houden.
Luidruchtigheid
Dat lukt hem aardig, want gedurende de feestelijkheden wordt geen wanklank
gehoord. Wel is er veel vrolijkheid en luidruchtigheid, maar van losbandigheid
of dronkenschap is geen sprake. Dat is natuurlijk koren op de molen van degenen,
die uitgesproken tegenstander zijn van kermisvermakelijkheden. Ze hebben nu
eenmaal een broertje dood aan het gejengel van draaiorgels en ook al
kunnen ze het lawaai van luchtschommels en carrousels nog wel verdragen, ze
vinden dit soort vermaak opvoedkundig verwerpelijk', "Wie het volksfeest
op hooger peil wil brengen, beginne met al die dingen te breken!", schrijft ene
Dixi in het weekblad De Westlander in de rubriek Brief uit Naaldwijk. "Ons
volk moet zich leeren te verheffen boven de banaliteit van dit ruwen
onsmakelijk gedoe. Daarom dank aan den leider van de Naaldwijksche feesten, dat
hij zo krachtig hier voor op de bres is gaan staan. Van de meest verschillende
zijden heb ik niet dan met voldoening over de feesten horen spreken. Er was een
algemene medewerking. Dat maakt onze nationale feesten juist zoo mooi, dat bij
een enkele gelegenheid de verschillende volksgroepen elkaar zoo dicht naderen.
De socialisten nu niet meegerekend stonden Linkschen en Rechtschen, Roomschen en
Protestantschen, schouder aan sçhouder." Intussen vermaken de Naaldwijkers zich
kostelijk met allerlei wedstrijden en volksspelen zoals het altijd vermakelijke
jarenlang voor 1923 niet meer beoefende boegsprietlopen -en met zang en muziek.
De gymnastiekverenigingen geven demonstratie en de plaatselijke middenstand
organiseert een aantrekkelijke etalagewedstrijd. Waar anders iedereen gewoon
langs loopt is er daardoor veel meer aandacht voor wat in de winkelstraten
Molenstraat en Herenstraat te koop wordt aangeboden. Jammer vinden sommige
Naaldwijkers het wel, dat hun dorp er niet in geslaagd is de feestelijkheden met
die in Honselersdijk beter op elkaar af te stemmen, terwijl dit kerkdorp toch
met Maasdijk één gemeente vormt.
Zelfstandigheid
Honselerdijk maakt zich echter rond 1923 steeds meer los van de centrumgemeente
en streeft op alle gebied naar zelfstandigheid. Met Maasdijk is dat nog wel niet
zo ver, maar zo wordt gedacht, in de toekomst zal dat ook wel die kant uitgaan.
Overigens wordt het jubileum van koningin Wilhelmina; ook in andere gemeenten in
het Westland gevierd. Overal op een andere manier. Zo doet De Lier dat met een
grote historische optocht die ook andere gemeenten, zoals een gedeelte van
Naaldwijk aandoet Het bestaat uit 64 personen of groepen, waarvan de meeste
ruiters te paard. In Naaldwijk valt natuurlijk de nodige kritiek op de stoet te
vernemen: "We hebben wel eens een mooiere stoet gezien", is een van de reacties,
als de stoet voorbij is en zijn terugtocht naar De Lier alweer aanvaardt.
![]()